ABRvS 27 november 2013, zaaknummer 201209763/1/A2, Belanghebbende en verzoeker ex art. 49a Wet op de Ruimtelijke Ordening

Staats- en Bestuursrecht
03-12-2013

De Afdeling stelt zich in deze zaak ambtshalve de vraag of de rechtbank het mede door appellante B en appellante C gemaakte bezwaar tegen een besluit tot toekenning van een vergoeding voor planschade aan een particulier terecht in zoverre ontvankelijk heeft geacht. De Afdeling meent dat dat niet het geval is. Zij overweegt in dit verband dat uit art. 1:2, lid 1 Awb voortvloeit dat slechts degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, belanghebbende bij dat besluit is. In het geval de gevolgen van een besluit niet rechtstreeks uit dat besluit, maar uit een overeenkomst voortvloeien, geldt als hoofdregel dat degene wiens belangen door de overeenkomst worden geraakt niet wordt aangemerkt als belanghebbende. Deze hoofdregel lijdt in dit geval volgens de Afdeling geen uitzondering. Weliswaar heeft de gemeente met appellante A, B en C een planschadeovereenkomst gesloten maar de aanvraag om bouwvergunning is alleen door appellante A ingediend en het college heeft ook alleen aan haar de vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend. Dit betekent naar de mening van de Afdeling dat alleen appellante A ‘verzoeker’ als bedoeld in art. 49a WRO is en dat alleen zij ingevolge het tweede lid van dat artikel als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het bewuste besluit tot toekenning van een vergoeding voor planschade. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op bezwaar heeft vernietigd, omdat het college het mede door appellante B en appellante C gemaakte bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk had verklaard, en ten onrechte dat bezwaar in zoverre alsnog ontvankelijk heeft verklaard. Zie ook ABRvS 27 november 2013, zaaknummer 201209764/1/A2.

Bron: PB 2013/43