Weigering omgevingsvergunning verhoging erfafscheiding en welstandstoets dient zich in beginsel te richten naar bouwmogelijkheden van het geldende bestemmingsplan

Ruimtelijke ordening
05-12-2013

Het bouwplan van appellant voorziet in het verhogen van een op het perceel reeds gebouwde erfafscheiding met een hoogte van 1,50 m tot een hoogte van 2,00 m. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wageningen" de bestemming "Tuin". Het bouwplan is niet in strijd met dit bestemmingsplan. De erfafscheiding is geplaatst op gronden die in eigendom zijn van appellant grenzend aan een stuk grond dat niet wordt gebruikt als tuin bij zijn woning en waar ingevolge het voormelde bestemmingsplan de bestemming "Tuin" op rust.

Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit in stand heeft gelaten. Hij voert hiertoe aan dat het advies van de welstandscommissie van 28 februari 2011 ondeugdelijk is, nu de hoogte van het bouwwerk niet in strijd is met het bestemmingsplan en de welstandscommissie derhalve in zoverre geen negatief welstandsadvies heeft kunnen geven. Verder betoogt[appellant dat de welstandscommissie over de vorm en het uiterlijk van de bij besluit van 10 september 2010 verleende bouwvergunning voor een erfafscheiding met een hoogte van 1,50 m hoogte en een soortgelijke vormgeving geen aanleiding heeft gezien voor een negatief advies vanwege strijd met de redelijke eisen van welstand en derhalve in het onderhavige geval, waarbij de voormelde erfafscheiding wordt verhoogd tot een hoogte van 2,00 m onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd waarom het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

De welstandscommissie heeft in haar advies van 28 februari 2011 te kennen gegeven dat de erfafscheiding wordt uitgevoerd conform de groenwal waar reeds vergunning voor is verleend en dat de behoefte aan privacy begrijpelijk is, maar een dergelijke forse erfafscheiding niet past bij de parkachtige uitstraling van de omgeving. De open landschappelijke structuur wordt hierdoor ernstig aangetast en het plan voldoet derhalve niet aan de redelijke eisen van welstand, aldus de welstandscommissie.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2011 in zaak nr. 201011573/1) dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Het welstandsoordeel mag niet leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In het bestemmingsplan zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van het bouwen van een erfafscheiding op gronden waarop de bestemming "Tuin" rust. Ingevolge artikel 17.2.3 van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw 2,00 m mag bedragen. De rechtbank heeft in navolging van het college niet onderkend dat de in het advies van de welstandscommissie van 28 februari 2011 aangevoerde argumenten zich uitsluitend richten tegen de rechtstreeks uit het bestemmingsplan voortvloeiende mogelijkheid om een bouwwerk van de gewenste omvang te realiseren. Gelet op het voorgaande kon het negatieve welstandsadvies niet aan het besluit van 18 september 2012 ten grondslag worden gelegd en heeft de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Het betoog slaagt.

Wetgeving:
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Besluit omgevingsrecht;
Wet ruimtelijke ordening

Jurisprudentie: Afdeling bestuursrechtspraak 24 november 2013, zaaknummer 201303529/1/A4 (r.o. 5.1-5.2), uitspraak betreffende Weigering omgevingsvergunning verhoging erfafscheiding en welstandstoets dient zich in beginsel te richten naar bouwmogelijkheden van het geldende bestemmingsplan

Publicatiedatum 29-11-2013
Nummer 2013/699