Swipe to the left

Belastingplannetjes en belastingrecht

Print
Belastingplannetjes en belastingrecht
By dr. W. Bruins Slot 4 december 2018 168 keer bekeken Geen opmerkingen

Bij het presenteren van de belastingplannen van het kabinet op Prinsjesdag ging de meeste aandacht uiteraard uit naar het voornemen om de dividendbelasting af te schaffen. In de schaduw van dit voornemen zijn veel andere reeds lang bekende plannetjes qua aandacht enigszins ondergesneeuwd. Net zoals die plannetjes kon je de schaduw en de sneeuw reeds lang van tevoren zien aankomen en ik nam mij voor de eerste gelegenheid aan te grijpen om die wetsvoorstellen eens aan de duisternis te onttrekken om te bezien of ze het daglicht konden velen. Ik doel dan in eerste instantie op het voornemen om – zoals het kabinet dat noemt – de afschrijving op bedrijfsgebouwen in eigen gebruik te beperken. Maar ook het idee om iets aan de combinatie van renteaftrekbeperkingen en geactiveerde rente te doen mag wat mij betreft niet onderbelicht blijven.

Ik buig mij in dit verband over de vraag in hoeverre deze wetswijzigingen zich verhouden tot het belastingrecht. Over die verhouding kan men zich niet druk genoeg maken, en als het kabinet dat niet doet, dan moet die drukte maar uit andere kringen komen.

De afschrijvingsbeperking ter zake van gebouwen in eigen gebruik

Wanneer men afschrijvingen beperkt, betreedt men het terrein van de goede koopman. Omtrent de etiquette waaraan de goede koopman zich heeft te houden hult de wetgever zich terecht in stilzwijgen. Het invullen van het begrip goed koopmansgebruik heeft hij immers willens en wetens aan de rechter overgelaten. Met andere woorden: op het gebied van de jaarwinstberekening bepaalt alleen de belastingrechter wat belastingrecht is en – en dat is in dit verband minstens zo interessant – vooral ook wat niet. De vraag is nu wat de belastingrechter zegt over de afschrijving van bedrijfsgebouwen al dan niet in eigen gebruik. De rechter werd ooit ingeschakeld door een ondernemer die werd geconfronteerd met de stelling dat hij niet kon afschrijven op zijn beleggingspanden, omdat de restwaarde van de panden plus ondergrond – met name door toedoen van de verwachte (inflatoire) waardestijging van de grond – uiteindelijk niet lager zou zijn dan de kostprijs ervan. Mijn primaire gedachte destijds was dat deze zienswijze in strijd was met de beginselen van goed koopmansgebruik omdat de inspecteur een gerealiseerde waardevermindering van het pand saldeerde met een ongerealiseerde, verwachte, maar onzekere waardestijging van de ondergrond. Drie redenen dus om dat salderen vooral na te laten. Natuurlijk, het gaat om één bedrijfsmiddel, maar dat is de formele kant van de zaak. In de economische werkelijkheid – en daar gaat het bij een belasting naar de winst altijd over – hebben we het hier over een bedrijfsmiddel dat bestaat uit twee componenten die elk een zelfstandig (en verschillend) leven leiden.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door dr. W. Bruins Slot. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 46 van 15 november 2018 (NTFR 2018/2579).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht