Swipe to the left

‘Daar boven uit zijn geheven’ – de OZB-kerkenvrijstelling en staatssteun

Print
‘Daar boven uit zijn geheven’ – de OZB-kerkenvrijstelling en staatssteun
By mr. drs. C.M. Dijkstra 1 november 2018 258 keer bekeken Geen opmerkingen

Toen ik ooit colleges ‘geschiedenis van de islam’ bij professor Beck volgde, legde hij een Indonesisch gezegde uit: geloof is als een spijker, mensen hangen hun bestaan eraan op en het gaat tot op de ziel zo diep. Ik moet bekennen dat ik persoonlijk als vrijzinnig doopsgezinde enigszins moeite had met de verstrekkende implicaties van dit gezegde, maar dat ik het wel begreep. Ik kan me dan ook binnen het redelijke vinden in het bijzonder onderwijs, en ook de anbi-regeling waar kerkelijke en levensbeschouwelijke instellingen voordeel van ondervinden, kan op mijn bijval rekenen. Religie veroorzaakt een hoop ellende in de wereld, maar laten we alsjeblieft niet het goede ervan uit het oog verliezen. Armoedebestrijding, filantropie, opvang voor de verworpenen der aarde, enzovoorts. Maar minstens zo belangrijk is dat geloofsgemeenschappen mensen in een ontheemde wereld bij elkaar brengen. Dat gaat in de praktijk echter moeilijk zonder gebouw en zo stuit je al snel op art. 220d, onderdeel c, Gem.w.: de zogenoemde kerkenvrijstelling in de OZB. Maar doorstaat zo’n vrijstelling de toets van het Europees recht, in het bijzonder de staatssteunregels? Hoewel in de literatuur is aangevoerd dat de vrijstellingen uit art. 220d Gem.w. weleens staatssteun zouden kunnen vormen, wil ik in deze Opinie beargumenteren dat de kerkenvrijstelling geen staatssteun is. Daar moeten we blij om zijn, gelet op de onverminderde culturele en maatschappelijke waarde van levensbeschouwelijke instituties in het Nederlandse religieuze landschap.
Maar allereerst, waar hebben we het over?

De drie criteria in art. 220d, onderdeel c, Gem.w.

De OZB-vrijstelling uit art. 220d, onderdeel c, Gem.w. geldt voor:
‘onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning’.
In deze bepaling kunnen we drie cumulatieve criteria onderscheiden voor de toepassing van de kerkenvrijstelling:


  1. onroerende zaken;
  2. in hoofdzaak bestemd voor;
  3. openbare eredienst of openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.


Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mr.drs. C.M. Dijkstra. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 44 van 1 november 2018 (NTFR 2018/2473).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht