Swipe to the left

De Koning als mikpunt van kritiek

Print
De Koning als mikpunt van kritiek
By 25 april 2019 2741 keer bekeken Geen opmerkingen

Koningsdag, de dag waarop Nederland de verjaardag van de Koning viert, is op 27 april weer aangebroken. De Koning heeft niet alleen een uitzonderlijke staatsrechtelijke positie, maar hij beschikt ook over een speciale ‘status’ in ons Wetboek van Strafrecht. Hij geniet namelijk een bijzondere bescherming in de vorm van het strafbaar gestelde ‘majesteitsschennis’. Daar gaat echter verandering in komen. Binnenkort zal de strafmaat voor majesteitsschennis worden verlaagd en zullen een aantal bepalingen over majesteitsschennis en de belediging van bevriende staatshoofden uit het Wetboek van Strafrecht worden geschrapt. Maar is dat nou wel zo verstandig?

Historie

Majesteitsschennis is zo oud als de weg naar Rome. Het is een uitvloeisel van het Romeins Recht. Indien iemand het oppergezag beledigde, werd dat als majesteitsschennis (ofwel crimen laesae maiestatis) beschouwd. Die bijzondere bescherming werd na de ineenstorting van het Romeins Keizerrijk overgenomen door de Koning, samen met ander keizerrecht. Het vormde uiteindelijk de basis voor de sinds 1886 geldende bepalingen over majesteitsschennis (artikelen 111-113 Sr) in het Wetboek van Strafrecht. Bovengenoemde bepalingen zijn uitingsdelicten: ze beperken de vrijheid van meningsuiting. Men mag immers geen grove bewoordingen richten aan de Koning. Doet hij dat wel, dan kan het OM hem vervolgen.

Het wetsvoorstel

Volgens D66-Kamerlid Verhoeven moeten we terughoudend met beperkingen op de vrijheid van meningsuiting, en dus met majesteitsschennis, omgaan. Hij heeft daarom in april 2016 een initiatiefvoorstel om het verbod op majesteitsschennis te schrappen ingediend. Op 19 maart 2019 heeft de Eerste Kamer ingestemd met dit (aangepaste) initiatiefvoorstel. De toekomstige wetswijziging heeft tot gevolg dat de strafmaat gelijk wordt gesteld met de strafmaat voor het beledigen van een ambtenaar in functie. De maximale gevangenisstraf die op het delict staat is straks geen vijf jaar meer, maar slechts vier maanden. De huidige artikelen over majesteitsschennis (111-113 Sr) komen te vervallen. Daarvoor in de plaats komt een nieuw artikel 267 Sr, waarin ook strafbaar wordt gesteld het beledigen van de Koning, de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, zijn echtgenoot of de Regent. Opvallend is dat de bepalingen over belediging van het hoofd of een lid van de regering van een bevriende staat ook zijn geschrapt (artikelen 118 en 119 Sr) en dat belediging van het hoofd of een lid van de regering van een bevriende staat niet meer als een strafverzwarende omstandigheid in de zin van artikel 267, aanhef en onder 3 Sr, kan worden gekwalificeerd. In het nieuwe artikel 269 Sr staat vervolgens dat er geen klacht nodig is om tot vervolging van degene die de personen die zijn genoemd in artikel 267 Sr heeft beledigd, over te gaan.

'De waxinelichthoudergooier en ‘Fuck Erdogan’

Volgens Verhoeven zijn de bepalingen over majesteitsschennis niet meer van deze tijd. Toch zijn er onlangs nog twee spraakmakende zaken in het nieuws geweest, waarbij majesteitsschennis en belediging van een bevriend staatshoofd centraal stonden. Zo gooide Erwin L. in 2010 een glazen waxinelichthouder in de richting van Koningin Beatrix en Prinses Maxima gedurende hun rit in de Gouden Koets tijdens Prinsjesdag. Tijdens het gooien schreeuwde hij grove bewoordingen (onder andere ‘nazi’s’ en ‘verraders’) in de richting van de koets. Het hof merkt het enkele gooien van de waxinelichthouder niet als beledigend aan, echter levert het gooien van de waxinelichthouder in combinatie met de geuite woorden wel een belediging in de zin van de artikelen 111 en 112 Sr op (Gerechtshof Den Haag 1 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ0277). In cassatie doet de Hoge Raad de zaak af met artikel 81 RO en bevestigt het vonnis van het hof (HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3083). Een ander voorbeeld heeft betrekking op een man die in 2016 vanaf zijn IP- en mailadres verschillende beledigende en aanstootgevende teksten zou hebben gestuurd naar de Turkse Ambassade in Den Haag, gericht aan president Erdogan. Zo werden er mails verzonden met het onderwerp ‘Fuck Erdogan’. Daarnaast werd Erdogan in de teksten met Hitler vergeleken en werd hij een ‘goat fucker’ genoemd. De berichten werden geschreven in een periode waarin Erdogan in het westen in opspraak raakte omdat hij aangifte deed tegen een Duitse Komiek, Jan Böhmermann, nadat laatstgenoemde hem een ‘geitenneuker’ had genoemd. De rechtbank sprak de man vrij van het ten laste gelegde, aangezien hij aanvoerde dat niet hij, maar één van zijn bezoekers, familieleden of vrienden de berichten had verstuurd. Op basis van deze verklaring kon de rechtbank niet vaststellen dat de man de berichten had verstuurd. De rechtbank kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de mails en de man werd dan ook vrijgesproken van belediging van een bevriend staatshoofd.

Niet onmisbaar, wel reduceerbaar

Uit cijfers blijkt dat sinds het jaar 2000 bij geconstateerde majesteitsschennis vijf keer een boete is uitgedeeld en drie keer een gevangenisstraf is uitgezeten, met een maximum van vijf maanden. Men wordt dus nog vervolgd voor majesteitsschennis. Beledigende uitspraken van komieken worden breed uitgemeten in de media, waarop het OM wel of geen actie onderneemt. Met andere woorden: het onderwerp leeft in de samenleving. Afschaffen van majesteitsschennis is naar mijn mening dan ook geen goed plan. Wel ben ik het eens met de verlaging van de straf van majesteitsschennis. Nooit werd er voor majesteitsschennis de maximale gevangenisstraf van vijf jaar opgelegd. Verder lijkt de hoogte van deze straf niet in balans met de hoogte van andere de straffen in ons Wetboek van Strafrecht (aan mishandeling met voorbedachten rade is bijvoorbeeld een maximale gevangenisstraf van vier jaar gekoppeld). De maximale strafbedreiging staat dus niet in verhouding tot de aard en de ernst van het delict.

De Koning mag niet beledigd worden en geniet middels de nieuwe regeling nog steeds bescherming. Deze bescherming is echter niet meer ‘exclusief’. Dit heeft ook te maken met het feit dat de inwerkingtreding van de betreffende wet tot gevolg heeft dat de strafuitsluitingsgronden uit Titel XVI van toepassing zijn op majesteitsschennis. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn de strafuitsluitingsgronden uit Titel XVI in de huidige situatie niet van toepassing op de misdrijven opgenomen in de artikelen 111 en 112 Sr (HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262). De exclusieve bescherming die de Koning geniet, komt hiermee dus te vervallen.

Kritisch

Ik vraag mij af of het schrappen van de bepaling over belediging van een bevriend staatshoofd niet tot ongewenste gevolgen zal gaan leiden. Zo kunnen demonstranten, cartoonisten en twitteraars de meest tergende uitlatingen doen en de spot drijven met deze staatshoofden, zonder dat zij daar ambtshalve door het OM voor kunnen worden vervolgd. Het staatshoofd dat beledigd wordt, moet voortaan zelf aangifte doen van eenvoudige belediging en valt onder het ‘gewone’ artikel 266 Sr. Dat is een nadeel. Er is namelijk sprake van een klachtvereiste. De mogelijkheid om via artikel 166a Sv een klacht in te dienen wegens belediging van een bevriend staatshoofd blijft nog wel bestaan. Deze bepaling geldt onder andere voor eenvoudige belediging van een staatshoofd, terwijl hij überhaupt niet in Nederland is dan wel niet in de uitoefening van zijn ambt in Nederland verblijft. Wanneer deze situatie zich voordoet, kan het OM niet ambtshalve tot vervolging overgaan (artikel 267 jo. 269 Sr). Indien het bevriende staatshoofd straks wordt beledigd, maar er geen klacht wordt ingediend, dan kan zal het OM niet ambtshalve tot vervolging overgaan. Dat kan het OM nu nog wel (zie artikelen 118-119 Sr). Zolang er dus geen klacht wordt ingediend, wordt er niet vervolgd. Naar verwachting zal het staatshoofd niet bij iedere belediging een klacht langs diplomatieke weg indienen, dat is geen hanteerbare situatie. De rem is dan van het politieke debat af.

Slot

Iedereen heeft recht op een mening, en moet deze ook in vrijheid kunnen uiten. In sommige gevallen moeten er echter beperkingen aan dit fundamentele recht, waarop onze democratische samenleving is gestoeld, worden aangebracht. Artikel 266 Sr beperkt deze vrijheid van meningsuiting. Belediging van de Koning valt straks onder artikel 267 Sr. De straf wordt gereduceerd en in verhouding gebracht met de ernst van het feit. Dit levert geen problemen op, met name omdat het klachtvereiste niet geldt. Er kunnen echter wel problemen optreden bij het schrappen van de bepalingen over belediging van het hoofd of een lid van de regering van een bevriende staat. Er bestaat een risico dat bevriende staatshoofden in het politieke debat meer worden bespot dan voorheen. De kans om daadwerkelijk vervolgd te worden is immers minder groot dan in de huidige situatie, omdat het klachtvereiste van toepassing is. De toekomst zal het leren…

Meer blogs lezen van Kirstin de Jong?


Posted in: Strafrecht