Swipe to the left

Een beschikking 'beetje aandelenfusie' kan niet

Print
Een beschikking 'beetje aandelenfusie' kan niet
By mevrouw mr. W.E. Nent en mr. G.C. van der Burgt 4 maanden geleden 1796 keer bekeken Geen opmerkingen

In de praktijk bestaat vaak behoefte aan zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van voorgenomen rechtshandelingen. De Belastingdienst lijkt op dit moment moeite te hebben met de uitvoering van vooroverleg. Dit levert soms lastige situaties op, waarbij de vraag opkomt of de Belastingdienst zichzelf niet in de voet schiet door over sommige problemen niet al tijdens de vooroverlegfase zekerheid te geven. In deze Opinie belichten wij het vooroverleg ten aanzien van een aandelenfusie, vanuit de inkomstenbelasting en het formele belastingrecht. Wij behandelen daarbij de vraag welke elementen (moeten) worden beoordeeld bij zo’n verzoek. Vervolgens gaan wij naar aanleiding van signalen uit de praktijk in op een specifiek te beoordelen element als bij de aandelenfusie een (open) cv betrokken is. Ten slotte besteden wij aandacht aan de vraag welke (rechts)middelen een belastingplichtige tot zijn beschikking heeft als de inspecteur niet alle elementen meeneemt in zijn beschikking dan wel een beschikking met voorbehoud afgeeft.

Relevante elementen van een verzoek om zekerheid vooraf

Voor aandelenfusies is de volgende regeling voor vooroverleg getroffen:

‘De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of er sprake is van een aandelenfusie, kan vóór de vervreemding van de aandelen of winstbewijzen een verzoek indienen bij de (…) inspecteur. (…) De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.’

Deze ‘zekerheid-vooraf-mogelijkheid’ gaat over de vraag of een rechtshandeling kwalificeert als een aandelenfusie. Wat wordt daaronder verstaan? Of sprake is van een aandelenfusie moet primair worden beoordeeld aan de hand van de definities in art. 3.55, lid 2, Wet IB 2001. Uitgaande van een zuiver nationale aandelenfusie in de zin van onderdeel a van dat artikellid gaat het over een in Nederland gevestigde vennootschap – stel A – die tegen uitreiking van eigen aandelen, eventueel met bijbetaling, een zodanig bezit aan aandelen in een andere in Nederland gevestigde vennootschap – stel B – verwerft dat zij, A, meer dan de helft van de stemrechten in B kan uitoefenen. In art. 3.55, lid 3, Wet IB 2001 is aanvullend bepaald dat een aandelenfusie ook aanwezig wordt geacht als de overnemende vennootschap vóór de aandelenfusie al aan genoemd stemrechtcriterium voldoet en haar ‘stemrechtbereik’ door de aandelenfusie uitbreidt. Volgens lid 4 wordt een aandelenfusie daarentegen niet aanwezig geacht als – kort gezegd – de bijbetaling te omvangrijk is (onderdeel a) en/of sprake is van oneigenlijk gebruik (onderdeel b). Art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001 bevat ten slotte de omschrijving van een EU- of EER-vennootschap. Alle genoemde elementen bepalen gezamenlijk of een rechtshandeling is aan te merken als een aandelenfusie. Zij moeten naar onze mening daarom allemaal worden meegenomen in de afhandeling van een verzoek in de zin van art. 3.55, lid 7, Wet IB 2001.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mw.mr. W.E. Nent en mr. G.C. van der Burgt. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 23 van 7 juni 2018 (NTFR 2018/1262).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht