Swipe to the left

Fidelity Funds en de Nederlandse dividendbelasting

Print
Fidelity Funds en de Nederlandse dividendbelasting
By mr. W.F.E.M. Egelie en drs. M.F.C. Cox 3 maanden geleden 1412 keer bekeken Geen opmerkingen

Op 21 juni 2018 verscheen het arrest van het HvJ in de Deense zaak Fidelity Funds (zaak C-480/16, NTFR 2018/1484). Het arrest is mede van belang voor een tweetal Nederlandse zaken die momenteel aanhangig zijn bij het HvJ. Het betreft de zaken Köln-Aktienfonds Deka (zaak C-156/17) en X (zaak C-157/17). Voor de prejudiciële vragen verwijzen wij naar HR 3 maart 2017, nr. 16/03954 (NTFR 2017/686) en nr. 16/03955 (NTFR 2017/687).
Deze twee zaken maken onderdeel uit van een groot aantal verzoeken van buitenlandse beleggingsfondsen die met een beroep op het Unierecht teruggaaf claimen van te hunnen laste ingehouden Nederlandse dividendbelasting. Zij vorderen daartoe een gelijke behandeling met een fiscale beleggingsinstelling in de zin van art. 28 Wet VPB 1969 (hierna: fbi).
In deze Opinie gaan wij in op de vraag wat het arrest in de zaak Fidelity Funds betekent voor de Nederlandse dividendbelastingzaken. Daartoe leggen wij eerst kort beide regelingen naast

Overeenkomsten en verschillen tussen beide regelingen


In beide gevallen gaat het om de vergelijking tussen dividend dat wordt uitgekeerd aan een binnenlands beleggingsfonds met een specifieke status (in Denemarken: een § 16 C-fonds, in Nederland een fbi) dan wel aan een buitenlands beleggingsfonds. Grofweg streven beide regelingen hetzelfde doel na, namelijk zorgen voor een gelijke belastingdruk voor particulieren die hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van het beleggingsfonds beleggen in binnenlandse vennootschappen. In beide regimes vervult de verplichte dooruitdeling door het fonds daartoe een cruciale rol.
De vormgeving is in zoverre anders dat Denemarken slechts het buitenlandse beleggingsfonds treft met bronbelasting. Het binnenlandse § 16 C-fonds is daarvan vrijgesteld. Het binnenlandse beleggingsfonds is echter jaarlijks verplicht een bepaald minimumbedrag (al dan niet fictief) uit te keren. Over die uitkering wordt vervolgens ten laste van de deelnemers in het fonds bronbelasting geheven.
Nederland heft in beide gevallen (evenveel) dividendbelasting. Tot 2008 werd de aldus geheven dividendbelasting aan de binnenlandse fbi teruggegeven maar werd bij de (verplichte) dooruitdeling opnieuw dividendbelasting geheven. Vanaf 2008 heeft een fbi recht op afdrachtvermindering. Die komt er kort gezegd op neer dat de bij dooruitdeling af te dragen dividendbelasting wordt verminderd met de ten laste van de fbi ingehouden dividendbelasting én buitenlandse bronbelasting. Uit het arrest Fidelity Funds blijkt niet dat ook Denemarken een tegemoetkoming geeft voor buitenlandse bronbelasting.
Wij bezien nu het arrest Fidelity Funds op enkele in onze ogen relevante onderdelen.


Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mr. W.F.E.M. Egelie en drs. M.F.C. Cox. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 27 van 5 juli 2018 (NTFR 2018/1520).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht