Swipe to the left

Fiscale verduurzaming van de Wet WOZ

Print
Fiscale verduurzaming van de Wet WOZ
By mr. E.D. Postema 4 december 2018 283 keer bekeken Geen opmerkingen

Op grond van de Wet WOZ wordt van elke onroerende zaak bij beschikking een waarde vastgesteld die ten grondslag ligt aan de heffing van daartoe bij afzonderlijke wet aan te wijzen belastingen. Door de huidige wijze waarop de waarde wordt bepaald, worden investeringen in verduurzaming van woningen en bedrijfspanden, zoals zonnepanelen, tot de WOZ-waarde gerekend. Daarmee hebben duurzaamheidsinvesteringen tot gevolg dat meer belasting moet worden betaald. De vraag is of dat gewenst is. In deze Opinie pleit ik voor aanpassing van de regels omtrent de waardebepaling, zodat duurzaamheidsinvesteringen niet leiden tot een hogere belastingheffing.

Onroerende zaken

Op grond van art. 17, lid 1, Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Een definitie van het begrip ‘onroerend’ ontbreekt in de Wet WOZ. Deze term moet dan ook worden uitgelegd aan de hand van het Burgerlijk Wetboek. Volgens art. 3:3 BW zijn onroerend: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. Art. 3:4, lid 1, BW bepaalt dat alles wat volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel is van die zaak. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt volgens art. 3:4, lid 2, BW bestanddeel van de hoofdzaak.

In het Amercentrale-arrest oordeelde de Hoge Raad dat een opslagtank voor stookolie een zodanig bouwsel was dat deze ‘naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven, waarbij niet van belang is of technisch de mogelijkheid zou hebben bestaan om het te verplaatsen’ (HR 13 juni 1975, nr. 26.568). De olietank werd aangemerkt als een gebouw. Het gaat bij het begrip ‘duurzaam’ om de intentie van de bouwer, voor zover deze naar buiten kenbaar is. In het Portacabin-arrest heeft de civiele kamer van de Hoge Raad geoordeeld dat een als bedrijfsgebouw in gebruik genomen portacabin waaromheen zich een tuin bevond inclusief tegelpad, als onroerend moet worden aangemerkt (HR 31 oktober 1997, nr. 16.404). In dat arrest heeft de Hoge Raad een viertal uitgangspunten geformuleerd die van belang zijn voor de beoordeling van het onroerende karakter van een zaak.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mr. E.D. Postema. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 47 van 22 november 2018 (NTFR 2018/2658).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht