Swipe to the left

​Het waarderen van getuigenverklaringen; rechtbank versus Hof

Print
​Het waarderen van getuigenverklaringen; rechtbank versus Hof
By 4 december 2018 2678 keer bekeken Geen opmerkingen

Dat de Hoge Raad minder waarde hecht aan het horen van getuigen ter zitting dan het EHRM, mag inmiddels wel duidelijk zijn. In Straatsburg vindt men het (heel) belangrijk dat de rechter die uiteindelijk de zaak beslist, ook de getuigen ziet en hoort die belastend over de verdachte verklaren. Dat is met name zo als het gaat om getuigen die minst genomen een wezenlijke invloed op de beslissing van de rechter hebben gehad om tot een veroordeling te komen.

De hoofdregel

In Den Haag houden ze de getuigen zoveel als mogelijk van de zitting. Het horen van getuigen in het voorbereidend onderzoek is in beginsel voldoende om het recht van verdachte op een eerlijk proces te waarborgen. Natuurlijk mag de zittingsrechter getuigen altijd zelf ter zitting laten komen, maar de hoofdregel is dat dit niet vaak gebeurt en ook niet hoeft te gebeuren.

Bijzondere zaken

Een bijzonder geval is de situatie dat de hogere rechter getuigenverklaringen anders waardeert dan de rechtbank. Voor Straatsburg ligt het dan voor de hand dat het Hof de getuigen zelf ambtshalve naar de zitting laat komen. De Hoge Raad houdt ook hier als het even kan de boot af. Gewezen kan worden op de nuancering van het arrest grenzen getuigenbewijs (NJ 1994/427), voor de fase in appel (ingevolge NJ 2014/488). Een beetje een atypische zaak was HR 3 juli 2018, NbSr 2018/290, m.nt. Grimmelikhuijzen, die ik in mijn vorige blog besprak. In die zaak liep de waardering tussen beide feitelijke instanties nog niet zo uit elkaar, maar was de bewijsbeslissing wel een heel andere.

De annotatie van Grimmelikhuijzen

Annotator Grimmelikhuijzen verzocht de Hoge Raad wat duidelijkheid te verschaffen over de vraag wat van het Hof gevergd kan worden als een vrijspraak in eerste aanleg tot een bewezenverklaring verwordt op basis van dezelfde voorliggende verklaring(en). In HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943, NbSr 2018/348, m.nt. Grimmelikhuijzen, heeft de Hoge Raad zich uitgebreider uitgelaten over de bijzondere situatie dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit is gekomen, en de rechter in hoger beroep die verklaring wel voor het bewijs gebruikt. Dan zal de hogere rechter ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, daartoe de redenen dienen op te geven. In het bijzonder moet hij aangeven op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. En, nu komt het, die gronden kunnen, maar behoeven niet, te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep. Van belang zijn voorts de volgende omstandigheden: de mate waarin de verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen, de door het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak aangevoerde bezwaren en de procesopstelling van de verdachte.

Conclusies

De Hoge Raad geeft de rechter in hoger beroep hiermee nadrukkelijk de mogelijkheid om af te zien van het ambtshalve oproepen van getuigen ter zitting, zolang de rechter maar afdoende uitlegt waarom hij tot een andere waardering van de verklaring van de getuigen is gekomen. Hoe belangrijker de getuigenverklaring is om tot een bewezenverklaring te (kunnen) komen, des te meer uitleg zal het gebruik daarvan vergen en des te moeilijker is het voor het Hof om aan het ambtshalve oproepen van deze getuige te komen.

Anderzijds maakt dit arrest, samen met het arrest van 3 juli 2018, nog maar eens duidelijk dat de verdediging na een goede afloop in eerste aanleg niet achterover kan hangen. Zij dient in het achterhoofd te houden dat het Hof ook zonder het horen van de getuige tot een andere waardering van het voorliggende getuigenbewijs en dus een bewezenverklaring kan komen. Een uitgebreide motivering, die eerst in het arrest wordt gegeven (en ook pas dan hoeft te worden gegeven), kan voor de vereiste afhechting zorgen. In dat verband kan het dienstig zijn om in ieder geval een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuige te doen, mocht het Hof tot een andere bewijsbeslissing komen op basis van deze getuige. Appelleren is anticiperen.

Posted in: Strafrecht