Swipe to the left

Interpretatiekwesties in de overdrachtsbelasting

Print
Interpretatiekwesties in de overdrachtsbelasting
By dr. A. Rozendal 3 maanden geleden 900 keer bekeken Geen opmerkingen

Bij het interpreteren van wet- en regelgeving en fiscale rechtspraak speelt het taalkundige aspect een belangrijke rol. Helaas is geschreven taal een instrument met de nodige beperkingen. Vage begrippen of onduidelijke zinnen leiden ertoe dat geschreven teksten voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Van de ruimte die aldus ontstaat om een standpunt in te nemen maken zowel belastingplichtigen (en hun adviseurs) als de Belastingdienst gretig gebruik in de praktijk. Er zijn uiteraard talloze voorbeelden te noemen van interpretatiekwesties in de fiscaliteit. In deze Opinie bespreek ik twee actuele voorbeelden van interpretatiekwesties die zich in de overdrachtsbelasting voordoen.

De splitsingfaciliteit in de overdrachtsbelasting


Voor overdrachtsbelastingdoeleinden is sprake van een belastbaar feit in geval van (i) een verkrijging (ii) van onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen. Aandelen in een zogenoemde onroerendezaakrechtspersoon worden bij fictie gelijkgesteld met onroerende zaken. Men spreekt dan van fictieve onroerende zaken. De verkrijging van fictieve onroerende zaken is derhalve eveneens belast met overdrachtsbelasting, maar slechts indien de verkrijger een aanmerkelijk belang heeft in de onroerendezaakrechtspersoon (de belangeis). Deze fictiebepaling richt zich enerzijds op het voorkomen van misbruik door het tussenschuiven van vennootschappen en anderzijds op het gelijk behandelen van directe en indirecte verkrijgingen.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door dr. A. Rozendal. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 26 van 28 juni 2018 (NTFR 2018/1461)



Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht