Swipe to the left

Pentiti d’oro. Eerste overpeinzingen over de inzet van gouden kroongetuigen en andere aspecten in het Passage-proces

Print
Pentiti d’oro. Eerste overpeinzingen over de inzet van gouden kroongetuigen en andere aspecten in het Passage-proces
By 5 maanden geleden 4379 keer bekeken 1 comment

Uit de verklaring van kroongetuige Fred Ros ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam:

“Ik beken hetgeen – zoals u aan mij voorhoudt – op de inleidende dagvaarding ook na wijziging van de tenlastelegging aan mij in zaak A onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 is ten laste gelegd. Dat komt, kort gezegd, op het volgende neer.

Het klopt dat ik mij eind 2005 en in de eerste helft van 2006 in Nederland heb beziggehouden met de liquidatie van Thomas van der Bijl, die op 20 april 2006 in Amsterdam plaatsvond. Ik heb samen met anderen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de aan de liquidatie voorafgaande periode uitgelokt om Van der Bijl te liquideren, door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] een beloning in het vooruitzicht te stellen, middelen ter beschikking te stellen en inlichtingen te verstrekken. Zij hebben de liquidatie uitgevoerd door Van der Bijl in zijn café in Amsterdam dood te schieten. Ter voorbereiding op deze liquidatie heb ik personenauto’s (in elk geval een Audi) en vuurwapens (in elk geval een pistool van het merk Ruger, type P95, kaliber 9x19, met munitie) voorhanden gehad en ook aan hen verschaft. Ik heb hen ook de nodige informatie gegeven die betrekking had op het beoogde slachtoffer Van der Bijl.”

Er blijft iets knagen in het onderzoek Passage

Knagende twijfel

Er blijft iets knagen in het onderzoek Passage. Na lezing van het arrest in de zaak van kroongetuige Fred Ros (ECLI:NL:GHAMS:2017:2495), maar zeker in de zaken tegen hoofdverdachten Dino Soerel (ECLI:NL:GHAMS:2017:2496) en Jessy Remmers (ECLI:NL:GHAMS:2017:2497) blijft menig juridische professional met de nodige, maar niet beantwoorde vragen zitten. Twee belangrijke vraagstukken springen direct in oog: het opleggen van de levenslange gevangenisstraf en de toelaatbaarheid van de kroongetuigen.

De arresten van het gerechtshof Amsterdam zijn wat dit punt betreft, teleurstellend en uiterst mager gemotiveerd

Vier keer levenslang: Straatsburg-proof?

Niet eerder zijn in Nederland zoveel verdachten (vier) in één strafproces tot levenslang veroordeeld. De vraag is direct of deze maximale strafoplegging van het gerechtshof in het Passage-proces zich verhoudt met het bepaalde in artikel 3 EVRM ("no one shall be subjected to torture or to inhuman or degrading treatment or punishment.”) en het buitengewoon belangrijke arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1325). In dit arrest gaf de Hoge Raad onversneden te kennen dat “een levenslange gevangenisstraf niet kan worden opgelegd, indien niet reeds ten tijde van de oplegging duidelijk is dat er na verloop van tijd een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaat, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling.”

Geeft het gerechtshof in Amsterdam aan de vier veroordeelden in het Passage-proces ook daadwerkelijk zicht op deze specifieke, op de levenslange gevangenisstraf toegesneden mogelijkheid van herbeoordeling?

De arresten van het gerechtshof Amsterdam zijn wat dit punt betreft, teleurstellend en uiterst mager gemotiveerd. Het gerechtshof overweegt niet meer dan dat “het hof acht slaat op het voornemen van de staatssecretaris om in de loop van 2017 een wettelijke regeling aan de Tweede Kamer aan te bieden, zoals blijkt uit zijn brief van 20 december 2016.” Kun je iemand tot de ultieme sanctie van levenslang veroordelen door acht te slaan op een voornemen? Dat wringt en vraagt minst genomen om een waterdichte motivering. Want hoe deze wettelijke regeling er “in de loop van 2017” nu precies uit komt te zien, weet het hof bij gebrek aan de kristallen bol van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie natuurlijk niet. Dat realiseert het hof zich ook, gezien de volgende overweging:

“Pas na geruime tijd zal echter blijken hoe de regeling wordt toegepast. In zoverre heeft de gegeven materiële beoordeling een beperkte betekenis omdat juist uit de praktische toepassing zal dienen te blijken of de beslispraktijk zich verdraagt met de verdragseisen. Ook zal de toekomst leren of de procedure en het toetsingskader zoals neergelegd in het Besluit, duurzaam van karakter zijn.”

Het hof neemt hiermee een grote vertrouwenssprong in de toekomst. Tot op heden heeft Nederland laten zien dat zij met het aanpassen van de wetgeving aan de vereisten van artikel 3 EVRM niet bepaald over de snelheid van Usain Bolt beschikt.

Bovendien gaf de Hoge Raad in de hierboven genoemde zaak van 5 juli 2016 niet zonder reden aan, dat de “verdere politieke besluitvorming” moet worden afgewacht. Om die reden heeft de Hoge Raad de verdere behandeling van die zaak aangehouden tot de zitting van 5 september 2017. Het is opvallend dat het gerechtshof in Amsterdam deze twee maanden tot de inhoudelijke beslissing van de Hoge Raad op 5 september 2017 niet even heeft willen afwachten. Zonder de betreffende feiten in het Passage-proces te willen bagatelliseren, is vier mensen tot levenslang veroordelen met als motivering dat “de toekomst zal leren of de procedure en het toetsingskader zoals neergelegd in het Besluit, duurzaam van karakter zijn” en ook objectief gezien, een weinig gelukkige keuze.

Vragen bij de inzet van kroongetuigen
Ook de motivering (of misschien wel het gebrek hieraan) van het gerechtshof over de toelaatbaarheid van de twee kroongetuigen zal op vele onderdelen nog lang discussie geven. Voor de uitspraken van het gerechtshof liet de verdediging zich in wapperende toga’s op een winderig strand (wie heeft dat in hemelsnaam bedacht en toegestaan?) kritisch uit over de inzet van de twee kroongetuigen door het openbaar ministerie. Na de arresten van het hof was opvallend genoeg géén van de advocaten meer in media te bekennen, maar gaven de betrokken advocaten-generaal uitgebreide interviews waarin zij te kennen gaven hun werk goed en zorgvuldig te hebben gedaan. “When they go low, we go high” maar dan aan beide kanten.

Maar er speelt nog iets in het Passage-onderzoek, dat vreemd genoeg zo onbesproken is gebleven

Rechterlijke controle?
Het is, naar het mij voorkomt, te betreuren dat het gerechtshof in Amsterdam - en anders dan de gemotiveerde wens van voorzitter mr. F.C. Lauwaars van de rechtbank in Amsterdam - niets ziet in een rechterlijke controle op het getuigenbeschermingsprogramma.

De rechtbank Amsterdam gaf in haar vonnis in het Passage-onderzoek (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0392) immers weloverwogen het volgende aan:

“De rechtbank constateert wel dat bij de huidige stand van de regelgeving toezicht op het getuigenbeschermingstraject buiten de eigen kolom van de Minister van Veiligheid en Justitie nauwelijks mogelijk is, waardoor de schijn zou kunnen ontstaan dat dit traject als vrijplaats kan worden gebruikt voor gedragingen die de rechterlijke toetsing niet zouden kunnen doorstaan. Problemen rondom de getuigenbescherming van [persoon 7] hebben het onderhavige strafproces gecompliceerd en vertraagd. De rechtbank sluit zich aan bij het pleidooi van Bleichrodt en Korten in NJB 2012, p. 1300 ev., een meer concrete normstelling voor getuigenbescherming te introduceren en daarbij ook een aparte rechterlijke toetsingsprocedure voor voorgenomen beschermingstrajecten in te voeren bij een op dit terrein deskundig (deels) rechterlijk college dat onbelemmerd van alle feiten kan kennisnemen.”

Volgens het gerechtshof zou een dergelijke toetsing echter “relatief gering” zijn, omdat “die statische toetsing in het concrete geval slechts in (zeer) beperkte mate effectief zal kunnen zijn.” Er valt - alles overziend en ook objectief gezien - echter veel te zeggen voor de betrokkenheid van een onafhankelijke onderzoeksrechter, juist om te voorkomen en te beletten dat via de zo volledig afgeschermde weg van de getuigenbeschermingsmaatregel aan de kroongetuige wordt gegeven wat strafvorderlijk gezien, niet wenselijk is. Wat verzet zich nu precies tegen een dergelijke rechterlijke toetsing?

Maar er speelt nog iets in het Passage-onderzoek, dat vreemd genoeg zo onbesproken is gebleven.

Daar kunnen de nabestaanden van Thomas van der Bijl het mee doen

Een morele overwinning?
De uitkomst in de zaak tegen kroongetuige Fred Ros herinnert aan de weduwe Tina Montinaro. Tina was de echtgenote van lijfwacht Antonio Montinaro, die samen met twee andere lijfwachten, Rocco Dicillo en Vito Schifani, omkwam bij de zeer gewelddadige aanslag op 23 mei 1992 op de allerbelangrijkste maffiabestrijder van Italië, Giovanni Falcone. Ook Falcone zelf en zijn vrouw Francesca Morvillo overleefden die aanslag niet.

In een van de hierop volgende maffia processen vergeleek Tina Montinaro haar leven als weduwe (een woord waar zij nog altijd een gezonde hekel aan heeft) en moeder van twee jonge zonen met de situatie van de kroongetuigen, die in de strafprocessen tegen de maffia waren ingezet. Tina gaf een emotionele, maar ook feilloos ontmaskerde analyse. Zij had als vrouw van Antonio slechts recht op een schamel nabestaanden pensioen, waarmee zij álle kosten van de begrafenis, hun woning en de kosten van hun opgroeiende gezin moest zien te betalen. Deze kleine toelage stond in een sterk en cynisch contrast met de royale financiële tegemoetkoming die de Italiaanse kroongetuigen onder het mom van ‘getuigenbescherming’ hadden gekregen. Bovendien moest Tina over haar toelage belasting betalen, waarvan zij treffend opmerkte dat met een deel van deze belastingopbrengsten de kroongetuigen werden betaald. Het leverde in Italië een diepe golf van verontwaardiging op.

Nu de rook in het Passage-proces eindelijk in feitelijke aanleg is opgetrokken, blijft de vraag of het inzetten van deze kroongetuigen niet alleen een strafvorderlijk, maar ook moreel juiste beslissing is geweest. In eerste aanleg vorderde het openbaar ministerie in de zaak jegens Fred Ros een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank veroordeelde hem voor zijn rol bij liquidaties tot een gevangenisstraf van 30 jaar (ECLI:NL:RBAMS:2013:1294). Eenmaal omgetoverd tot kroongetuige en met plotseling een beperktere bewezenverklaring werd de eis in tweede aanleg van levenslang teruggebracht tot dertig jaar en na de kroongetuige-korting bleef hier een eis van veertien jaar van over, hetgeen het gerechtshof volledig overnam. Gezien de periode die hij inmiddels in voorlopige hechtenis had gezeten, kwam de moordende kroongetuige per direct op vrije voeten.

“Het hof heeft onder ogen gezien dat met enig gevoel van cynisme kan worden opgemerkt dat zijn motieven voor het zetten van die stap wellicht meer zijn gelegen in het opportunistisch najagen van zijn eigenbelang en niet of minder in een doorleefde keer ten goede. Immers, [Fred R.] heeft gedurende de veeljarige loop van het Passageproces zijn kansen aangezien, gewogen en uiteindelijk ook benut. Mede door het stokken van betalingen uit criminele hoek als tegenprestatie voor zijn zwijgen bij politie en justitie, is hij uiteindelijk overstag gegaan en heeft hij zijn kans gegrepen, door met de officier van justitie een verklaringsafspraak te maken. Het hof heeft in dat verband de steeds terugkerende gedachte niet weten te onderdrukken dat met deze gang van zaken en de daarmee gemoeide tijd wel de belangen van [Fred R.] en de zijnen gediend zijn geweest, doch niet de belangen van de opsporing en vervolging.”

Daar kunnen de nabestaanden van Thomas van der Bijl het mee doen. Het gerechtshof geeft hier klip en klaar aan, dat niemand vertrouwen heeft gehad in de oprechtheid van zijn bekentenis, een biecht die nauwelijks openheid over hemzelf maar wel (en doorslaggevende) bewijswaarde gaf in het onderzoek naar een andere hoofdverdachte.

De vraag blijft dan ook wringen, wie met de inzet van de kroongetuigen in het Passage-onderzoek nu echt gewonnen heeft. Het herinnert aan de conclusie van Maarten Van Traa (‘Inzake Opsporing. Enquêtecommissie opsporingsmethoden’, Sdu, 1 februari 1996, p. 465):

“Bij deals met criminelen raakt men de grenzen van het strafrecht. Wanneer men consequent de ene crimineel vrijuit laat gaan in ruil voor belastend bewijs tegen een andere crimineel die bij dezelfde strafbare handelingen betrokken is, ondergraaft men de zin van het strafrecht.”

Victor 5 maanden geleden at 02:24
Jouw betoog is heel helder. Ik zelf vind het opleggen van een levenslange opsluiting (zonder enig uitzicht) onmenselijk. Ik zie dit als zwaarder dan ter dood veroordeeld (mag een mens in NL eigenlijk beroep doen op "uitzichtloos ondragelijk lijden" en zo recht hebben op euthanasie, in geval oplegging levenslang ?). Het/de vonnis(en) zijn/is , indien de feiten bewezen zijn wel op hun plaats. De manier waarop de waarheid (niet geheel zeker of deze boven tafel is gekomen in deze zaak) achterhaald wordt is eigenlijk van ondergeschikt belang. De waarheid mag wat kosten, blijkt uit deze zaak. Het is jammer dat de rechtelijke macht, uit eigen onmacht, zo tegen het OM aanschurkt. Wel begrijpelijk is dat een duur feestje (proces) moet afsluiten met knaller, anders komt er weer rottigheid met de belastingbetaler. Ik heb het een beetje moeilijk met het feit dat de scheiding der machten in deze zaak ondergeschikt zijn. De wens om opdrachtgevers ook te straffen is begrijpelijk. Het daadwerkelijk opleggen van een (levenslange) straf zonder enig substantieel bewijs (soerel) is een blamage voor onze rechtstaat. Het inzetten van kroongetuigen is een moeilijk punt. De een liegt makkelijker en overtuigender dan de andere. We geloven allemaal geen barst van de verklaringen van de kroongetuige(n), behalve op sommige punten. Persoonlijk zou ik zeggen "Samen uit, samen thuis". Ik wil niet de indruk wekken dat straf niet op zijn plaats is echter wel benadrukken dat dit niet ten koste zou mogen gaan van ons rechtssysteem. Blijft heel moeilijk, er zijn louter verliezers, nabestaande, daders. Veel verdriet. Dat de ene mens de andere niet van het leven mag beroven is duidelijk maar ondergeschikt aan de basis van onze rechtstaat. Ik heb geen intentie om wie dan ook te kwetsen, van dader tot slachtoffer, maar ik vraag me af of we (maatschappij) niet allemaal slachtoffer zijn, gezien de door de rechters gemaakte keuzes. Hier wordt de essentie van de rechtsstaat volledig onderuit gehaald.