Swipe to the left

Rechterlijk oordeel 'geordende aangifte' toe aan heroverweging!

Print
Rechterlijk oordeel 'geordende aangifte' toe aan heroverweging!
By Sanne Dorland 9 days ago 259 keer bekeken Geen opmerkingen

In deze NTFR Opinie vraagt Rosery Niessen-Cobben zich af of het in de jurisprudentie ontwikkelde oordeel dat de inspecteur in beginsel mag vertrouwen op de door de belastingplichtige ingediende aangifte, zeker als die aangifte een geordende indruk maakt, anno 2018 nog wel zinvol is. Immers, aangiften worden nu veelal digitaal ingediend.

1. Inleiding

Kenmerkend voor de heffingssystematiek waarbij belasting wordt geheven bij wege van aanslag, is dat belastingplichtige voorafgaand aan het door de inspecteur vaststellen van de belastingaanslag een aangifte invult en retourneert. Gedurende vele jaren is die aangifte op papier ingediend. In die werkwijze heeft de Belastingdienst op diverse momenten een wijziging doorgevoerd. Achterliggende reden is dat is gezocht naar een pragmatischere manier om de jaarlijkse stroom aan aangiften af te wikkelen. Daarbij heeft de Belastingdienst gebruikgemaakt van de voortschrijdende digitalisering. Indien – na vaststelling van een belastingaanslag – enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de belastingaanslag ten onrechte achterwege is gebleven dan wel tot een te laag bedrag is opgelegd, kan een navorderingsaanslag worden vastgesteld. Bij de navordering vindt een afweging plaats tussen het belang van de rechtszekerheid van de belastingplichtige dat wordt volstaan met de definitieve belastingaanslag en het belang van een juiste belastingheffing. Teneinde invulling te kunnen geven aan die belangafweging is het vereiste van een zogenoemd ‘nieuw feit’ in art. 16, lid 1, AWR opgenomen. Daarvan is niet sprake indien de inspecteur met dat feit bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Dit vooronderstelt dat door de inspecteur enig onderzoek naar de juistheid van de aangifte wordt verricht, nu de navorderingsbevoegdheid niet is bedoeld voor het herstel van een ambtelijk verzuim of gewijzigd inzicht. In de jurisprudentie is antwoord gegeven op de vraag wanneer sprake is van een ambtelijk verzuim. Daarbij overweegt de rechter dat de inspecteur in beginsel mag vertrouwen op de door de belastingplichtige ingediende aangifte. Zeker als die aangifte een geordende indruk maakt. De vraag is echter of een dergelijke overweging anno 2018 nog wel zinvol is! Onderstaand wordt allereerst nagegaan wat de oorsprong is van de overweging over de ‘geordende aangifte’. Daarna wordt kort aandacht besteed aan een aantal wijzigingen door de Belastingdienst in de werkwijze van de aanslagregeling en de invloed daarvan op de navorderingsbevoegdheid. Tot slot wordt de vraag beantwoord of het rechterlijk oordeel inzake de ‘geordende aangifte’ zinvol is.

2. De ‘geordende aangifte’

Het doen van belastingaangifte maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van de heffing van belastingen. Dat die aangifte schriftelijk plaatsvindt, is eveneens logisch nu het voor het vaststellen van de belastingaanslag wenselijk is dat controleerbaar is van welke gegevens bij de vaststelling van de aanslag is uitgegaan. Het daadwerkelijk vaststellen van de belastingaanslag geschiedt idealiter na een door de belastingambtenaar uitgevoerde controle van de gedane aangifte. Vraag is dan hoever de uit te voeren controle dient te gaan. Met andere woorden, dient een belastingambtenaar van elk in de belastingaangifte opgenomen gegeven na te gaan of dit juist is? Het is vaste jurisprudentie dat de inspecteur, ter voorkoming dat zijn taak bovenmenselijk wordt[1], mag uitgaan van de veronderstelling dat de aangifte juist is. De consequentie daarvan is dat de inspecteur niet verplicht is de in de aangifte verschafte gegevens nader te onderzoeken. Dit geldt temeer wanneer de aangifte een verzorgde indruk maakt. In de aantekening bij BNB 1977/198[2] analyseert J.P. Scheltens dat als een inspecteur wantrouwen zou gaan koesteren over de in een aangifte verstrekte informatie, dit dan toch niet in de eerste plaats de in de aangifte opgenomen tellingen zal betreffen: ‘een ieder mag toch worden geacht te kunnen optellen en aftrekken en zelfs de meest notoire knoeier zal zorgen dat althans de tellingen goed zijn.’ Hiermee is de kern van de rechterlijke overweging van de geordende aangifte gegeven. De op papier ingediende belastingaangifte waarin geen doorhalingen aanwezig zijn, wekt vertrouwen dat de inhoud juist is.

3. Veranderende werkwijze Belastingdienst

Net als de rechter in 1959 zal ook de fiscus van mening zijn dat de taak van de inspecteur met betrekking tot het controleren van belastingaangiften en het vaststellen van belastingaanslagen niet bovenmenselijk moet worden. Het ligt voor de hand dat in de loop van de tijd en gezien de toename van het aantal belastingplichtigen voor de uitvoering van deze taak binnen de Belastingdienst naar mogelijkheden is gezocht om de vaststelling van belastingaanslagen op een meer efficiënte wijze te regelen.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mr. dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 31 van 2 augustus 2018 (NTFR 2018/1801).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht