Swipe to the left

Rendement+

Print
Rendement+
By dr. A. Rozendal 7 maart 2019 296 keer bekeken Geen opmerkingen

Inleiding

Op dit moment worden in de praktijk talloze discussies gevoerd tussen belastingplichtigen en de fiscus over de vraag of vastgoedexploitatie door een vennootschap al dan niet kwalificeert als het drijven van een onderneming. Deze discussie is van belang voor de toepassing van de voorwaardelijke vrijstelling in de SW 1956 en de doorschuiffaciliteit in de Wet IB 2001 (hierna de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten) in geval van een schenking of vererving van aanmerkelijkbelangaandelen in een vennootschap. Een onderneming wordt omschreven als een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, waarmee wordt beoogd door deelname aan het maatschappelijke productieproces winst te behalen. In geval van vastgoedexploitatie kan alleen van een onderneming worden gesproken indien de arbeid qua aard en omvang van zodanig belang is dat deze ‘geacht kan worden ten doel te hebben het behalen van voordelen uit onroerende goederen, welke het aan een belegger in zodanige goederen normaliter opkomende rendement te boven gaan’. Een relevante omstandigheid volgens de Hoge Raad is dat de arbeid door de eigenaar zelf wordt verricht. Bovendien is van belang dat de arbeid moet wijzen op een streven naar een hoger rendement, ook wel ‘rendement+’ genoemd. De praktische invulling van deze rendementseis leidt in de praktijk tot vele (en in sommige gevallen wellicht onnodige) discussies. Een goede aanleiding om de rendementseis onder de loep te nemen.

Nagestreefd rendement of behaald rendement?

Een veelgehoorde stelling van de kant van de Belastingdienst is dat sprake moet zijn van meerarbeid en dat deze meerarbeid moet leiden tot een hoger rendement dan het rendement dat hoort bij normaal vermogensbeheer. Men eist derhalve van de belastingplichtige dat deze het daadwerkelijk behaalde rendement, veelal gemeten over een bepaalde periode, in kaart brengt en dit rendement vergelijkt met een normrendement. Niet zelden voelt de belastingplichtige – op wie de bewijslast rust – zich geroepen om het daadwerkelijk behaalde rendement inderdaad in kaart te brengen. Het aansluiten bij het daadwerkelijk behaalde rendement is, gelet op de rechtsregel van de Hoge Raad, echter een onjuiste benaderingswijze. Het gaat volgens de rechtsregel van de Hoge Raad namelijk om het nagestreefde rendement en niet om het daadwerkelijk behaalde rendement. Het is bij de beoordeling of sprake is van (meer dan) normaal vermogensbeheer dus niet noodzakelijk om de daadwerkelijk behaalde rendementen in kaart te brengen. Dit is overigens ook expliciet bevestigd in Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2015, nr. 13/01073, NTFR 2015/1743 en Hof Den Haag 19 juli 2017, nr. 16/00373, NTFR 2017/2109. Beide hoven oordeelden dat de verwachting dat een meer dan normaal vermogensrendement zal worden behaald, nog niet hoeft te zijn neergeslagen in reeds behaalde resultaten.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door dr. A. Rozendal. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 10 van 7 maart 2019 (NTFR 2019/525).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht