Swipe to the left

Substance-eisen en de brievenbusmaatschappij

Print
Substance-eisen en de brievenbusmaatschappij
By mr. J. Gooijer 1 november 2018 411 keer bekeken Geen opmerkingen

De roep om substance-eisen in de strijd tegen het gebruik van brievenbusmaatschappijen is luid, niet alleen in relatie tot belastingverdragen en regelingen van nationaal belastingrecht, maar ook met betrekking tot bilaterale investeringsbeschermingsverdragen. Die roep blijkt niet ongehoord. Zo heeft een kritisch rapport van TNI, SOMO, Milieudefensie en Both Ends er mede toe bijgedragen dat het kabinet werkt aan een nieuwe modeltekst voor investeringsakkoorden waarin ook substance-eisen zijn opgenomen. Het concept van het nieuwe model is onlangs voorgelegd ter consultatie. Deze ontwikkeling volgt op de stappen die al eerder in het belastingrecht zijn gezet met de introductie van concrete, en in recente jaren verzwaarde substance-eisen. Over vervolgstappen wordt nagedacht, zo blijkt uit onder meer het wetsvoorstel Wet bronbelasting 2020.
Gezien de gemeenschappelijke achtergrond van de deze substance-eisen – de strijd tegen het gebruik van brievenbusmaatschappijen – lijkt het niet onlogisch dat de eisen die gelden voor de verschillende regelingen in belangrijke mate overeenkomen. Uiteraard kunnen verschillen in doelstelling van de betreffende regelingen wel leiden tot verschillen in de te stellen voorwaarden. Hierna zal ik de geldende en voorgestelde substance-eisen kort bespreken en evalueren.

Substance en investeringsverdragen

Investeringsverdragen beschermen investeringen in de ene verdragsluitende staat van investeerders uit de andere tegen onder andere onteigening en ongelijke behandeling. De meeste investeringsverdragen hanteren ten aanzien van de investeerder – voor zover het gaat om een rechtspersoon – de enkele voorwaarde dat hij moet zijn opgericht naar het recht van een van de verdragsluitende staten of dat de zetel van de investeerder in een van die staten moet zijn gelegen. Deze toegangseis brengt mee dat het gebruik van investeringsverdragen door inwoners/investeerders van derde staten via de oprichting van een rechtspersoon in een van de verdragsluitende staten relatief eenvoudig is. Dit is een door veel landen geaccepteerde praktijk die ook door veel rechterlijke instanties is gesanctioneerd.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mr. J. Gooijer. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 42 van 18 oktober 2018 (NTFR 2018/2345).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht