Swipe to the left

Volledige transitievergoeding bij ontslag kort voor het bereiken van de AOW-leeftijd

Print
Volledige transitievergoeding bij ontslag kort voor het bereiken van de AOW-leeftijd

De Wwz voorziet niet in de aftopping van de transitievergoeding op de inkomstenderving tot aan de AOW-leeftijd. Dit is nog eens bevestigd in het recente arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1845), waarbij een docent Frans geen transitievergoeding ontving van zijn werkgever nadat zijn arbeidsovereenkomst vlak voor het bereiken van zijn AOW-leeftijd werd ontbonden. Deze blog gaat in op de vraag of aftopping van de transitievergoeding toch op zijn plaats is.

Wwz voorziet niet in aftopping transitievergoeding

Voor de invoering van de Wwz werd de hoogte van de ontbindingsvergoeding (doorgaans) vastgesteld aan de hand van de kantonrechtersformule. Daarbij gold als uitgangspunt dat rekening gehouden werd met de verwachte pensioendatum. Met andere woorden: de ontbindingsvergoeding werd afgetopt op de inkomstenderving tot aan de pensioendatum.

In tegenstelling tot de kantonrechtsformule, voorziet de wettelijke transitievergoeding niet in aftopping van de transitievergoeding op de inkomstenderving tot aan pensioenleeftijd. Enkel werknemers die bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst de AOW-leeftijd hebben bereikt, hebben geen recht op de transitievergoeding.

Aanleiding arrest Hoge Raad; Werknemer die AOW-leeftijd nadert wordt ontslagen zonder toekenning transitievergoeding

De arbeidsovereenkomst van een docent Frans wordt door zijn werkgever met toestemming van het UWV opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Zijn werkgever ziet geen reden om de wettelijke transitievergoeding uit te betalen, nu aan de werknemer een IVA-uitkering is toegekend en hij bovendien bijna AOW-gerechtigd is. De werknemer legt zich hier niet bij neer en vordert in rechte de volledige wettelijke transitievergoeding, die € 73.541,42 bruto bedraagt.

Kantonrechter oordeelt dat gedeeltelijke transitievergoeding redelijk is

De kantonrechter oordeelt dat niet aannemelijk is dat de werknemer nog een andere baan zal krijgen en dat zijn situatie – wat de transitie naar een andere baan betreft – vrijwel gelijk is aan die van de werknemer die wordt ontslagen wegens het bereiken van de AOW-leeftijd. Beiden zijn niet meer beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Nu de werknemer de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, ziet de kantonrechter wel aanleiding een gedeeltelijke transitievergoeding van € 25.000 bruto toe te kennen.

Hof wijst volledige transitievergoeding toe

Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en stelt dat de wetgever (bewust) heeft gekozen voor een forfaitaire vergoeding, die ook verschuldigd is indien er niet of nauwelijks sprake is van kosten in verband met een overgang naar een andere baan of inkomensverlies. Het hof acht toekenning van een volledige transitievergoeding niet onaanvaardbaar en kent dan ook de volledige transitievergoeding van € 73.541,42 bruto toe.

Toekenning volledige transitievergoeding niet onaanvaardbaar

Aan de Hoge Raad ligt de vraag voor of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de volledige transitievergoeding van € 73.541,42 bruto wordt toegekend. Voor de volledigheid: het salaris dat de werknemer zou hebben ontvangen als hij had gewerkt tot aan zijn AOW-leeftijd bedraagt € 46.000. Daar komt bij dat aan de werknemer een IVA-uitkering is toegekend, zodat zijn werkelijke schade slechts € 6.000 zou bedragen, zo blijkt uit de conclusie van de A-G.

De Hoge Raad sluit zich aan bij het oordeel van het Hof. Er is volgens de Hoge Raad sprake van een abstract en gestandaardiseerd stelsel, waarin de voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding en de regels voor de berekening van de hoogte daarvan, nauwkeurig in de wet zijn omschreven. Dit gestandaardiseerde karakter blijkt onder andere uit het feit dat voor de aanspraak niet van belang is of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst werkloos is, dan wel aansluitend een andere baan heeft gevonden.

Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever onder ogen gezien dat de wettelijke regeling van de transitievergoeding ertoe kan leiden dat een werknemer die kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt ontslagen, recht heeft op een transitievergoeding die hoger is dan het loon dat hij zou hebben ontvangen wanneer hij in dienst zou zijn gebleven. Desondanks is niet voor aftopping gekozen. Er is dan ook geen grond om toekenning van een volledige transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.

Oordeel Hoge Raad niet verrassend

Het oordeel van de Hoge Raad is niet verrassend. Uit de parlementaire geschiedenis kan inderdaad de conclusie worden getrokken dat de wetgever wel onder ogen heeft gezien dat de transitievergoeding – in tegenstelling tot de kantonrechtersformule – geen afbouwregeling kent. Dat desondanks geen afbouwregeling is opgenomen, kan dan ook als bewuste keuze worden gezien. Dat gezegd hebbende, is er maar heel weinig ruimte om het wettelijke stelsel via de redelijkheid en billijkheid te beperken - zeker nu sprake is van dwingend recht. Over de vraag of de uitkomst in deze zaak ‘redelijk’ is, kunnen de meningen verschillen. Die vraag is alleen niet aan de orde. Het gaat om de vraag of de uitkomst – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – onaanvaardbaar is. Dat moet zo worden begrepen dat ‘geen redelijk denkend mens er anders over kan denken’ aldus de A-G onder verwijzing naar H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW, nr. A5), 2017, par. 33.2. Recht op een volledige transitievergoeding zonder aftopping tot aan de AOW-leeftijd is niet zó onaanvaardbaar. Dat maakt het arrest heel valide.

Aftopping sluit aan bij doelstellingen Wwz

Dat deze uitspraak onder de gegeven omstandigheden de juiste is, betekent niet dat de uitkomst per definitie ook bevredigend is. Als een andere uitkomst wenselijk(er) is, dan ligt aanpassing van het wettelijke systeem voor de hand. Een wettelijk systeem dat wél voorziet in aftopping, sluit in mijn optiek beter aan bij de volgende doelstellingen van de Wwz:

  • Ontslagrecht minder kostbaar maken (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 5 en Kamerstukken II 2013/14, 33838, nr. 7, p. 71). Nu het oude recht wel in aftopping voorzag en het huidige recht niet, is het ontslagrecht over de hele linie weliswaar goedkoper, maar in de periode kort voor de AOW-gerechtigde leeftijd veelal niet.
  • Ontslagrecht minder onvoorspelbaar maken (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 5). Aan die doelstelling wordt door aftopping geen afbreuk gedaan. Ook als in aftopping wordt voorzien, blijft sprake van een inzichtelijk en eenduidig systeem, waarbij op voorhand berekend kan worden wat de hoogte van de vergoeding is.
  • Invulling geven aan de zorgplicht die een werkgever heeft ten opzichte van een werknemer die wordt ontslagen of van wie het contract niet wordt verlengd (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 7, p. 79). Die zorgplicht ziet op werknemers die zijn aangewezen op het verrichten van arbeid om in hun levensonderhoud te voorzien. Dat werknemers die de AOW-leeftijd bereikt hebben geen recht hebben op een transitievergoeding is volgens de regering en de HR (HR 20 april 2018, JAR 2018/129) gerechtvaardigd. Het (legitieme) doel daarvan is immers te voorkomen dat een transitievergoeding ten goede komt aan personen die niet langer zijn aangewezen op het verrichten van arbeid om in hun levensonderhoud te voorzien nu zij een vervangend inkomen in de vorm van ouderdomspensioen ontvangen (Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 97). De vraagt rijst hoe dit zich verhoudt met het feit dat iemand kort voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd wél de volledige transitievergoeding ontvangt, die hoger is dan het loon tot aan de AOW-datum. In een dergelijke situatie is het aannemelijk dat een deel daarvan nog aanwezig is op het moment dat de werknemer ouderdomspensioen gaat ontvangen. De door te werkgever te betalen vergoeding is dan hoger dan de zorgplicht reikt. Een regeling die in aftopping voorziet zou ertoe kunnen leiden dat de vergoeding voorziet in de zorgplicht, maar niet meer dan dat.


Gelet op voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 20 april 2018 zal aftopping mijns inziens (ook) geen verboden onderscheid naar leeftijd opleveren.

Uitspraak HR triggert mogelijk slapende dienstverbanden; rol voor de WAB

Als een aftoppingsregeling wenselijk wordt geacht, is de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) de gelegenheid om dit te regelen. Het voorstel de opbouw na tien jaar te verlagen van een half naar een derde maandsalaris per dienstjaar zal weliswaar tot lagere vergoedingen van (doorgaans) de oudere werknemer leiden, maar voorkomt niet dat de vergoeding soms hoger is dan het loon tot aan de AOW-leeftijd. Als geen aftoppingsregeling wordt geïntroduceerd, voorzie ik een nieuwe reden voor slapende dienstverbanden. Juist op het moment dat het knelpunt van het slapende dienstverband na twee jaar ziekte wordt aangepakt door de introductie van een compensatieregeling (Stb. 2018, 234), wordt in feite een nieuwe reden geïntroduceerd. Het slapend houden van het dienstverband omdat de kosten van de transitievergoeding hoger zijn dan de loonkosten tot aan de AOW-leeftijd kan tot onwenselijke situaties leiden. In geval van een verstoorde arbeidsverhouding bijvoorbeeld kunnen beide partijen gebaat zijn bij een beëindiging. Een beëindiging met afgetopte transitievergoeding is dan wenselijker dan een slapend dienstverband met verstoorde verhoudingen, waarbij de werknemer uiteindelijk – bij beëindiging vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd – in het geheel geen vergoeding krijgt.

Deze blog is een bewerking van de annotatie van Heleen Foesenek in JAR 2018/275. Naast annotator voor Jurisprudentie Arbeidsrecht (JAR) is Heleen Foesenek advocaat bij Liber Dock Advocaten te Amsterdam.

Meer lezen over arbeidsrecht?


Posted in: Arbeidsrecht