Belastingheffing over de waarde in het economische verkeer van verhuurde woningen is en blijft een fictie?


Sinds 2010 kennen de Wet inkomstenbelasting 2001 (in box 3) en de Successiewet 1956 waarderingsregels voor woningen. Sindsdien is ‘de waarde’ van woningen eenvoudig vast te stellen en behoren discussies over de waardering tussen de belastingplichtige en de belastingdienst tot het verleden. Echter, de waarderingsregels zijn zo robuust dat in de praktijk substantiële verschillen ontstaan tussen de waarde in het economische verkeer en de waarde op grond van de waarderingsregels. Een beroep op de eenvoud is dan niet te rechtvaardigen. Ik pleit er dan ook voor een tegenbewijsregeling in de wet op te nemen.

1 Inleiding

Onlangs heeft de staatssecretaris van Financiën zijn reactie gegeven op vragen van de Tweede Kamer over de waarderingsregels van woningen voor de heffing van inkomstenbelasting (box 3). Dezelfde regels gelden voor de heffing van schenk- en erfbelasting. 2 De Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en de Successiewet 1956 (hierna: SW 1956) waarderen zaken in beginsel op de waarde in het economische verkeer, oftewel de ‘marktprijs.’ Als een marktprijs ontbreekt, geldt in fiscalibus dat de waarde in het economische verkeer wordt gesteld op het bedrag dat bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald. 3 Echter, de wetgever heeft voor woningen bepaald dat de waardering plaatsvindt op grond van ficties. Dit verschaft duidelijkheid en voorkomt discussies tussen de belastingplichtige en de belastingdienst. De uitkomst op grond van deze ficties kan echter substantieel afwijken van de waarde in het economische verkeer. Dit is met name het geval bij verhuurde woningen in grote steden. Door…

Verder lezen
Terug naar overzicht