Bij middelingsverzoek van 65-jarige moet rekening met AOW-premies worden gehouden


Samenvatting

Belanghebbende is in 2002 65 jaar geworden, waardoor hij per 1 januari 2002 geen premie AOW meer verschuldigd is. Belanghebbende heeft een middelingsteruggaafverzoek over het tijdvak 2002, 2003 en 2004 ingediend. Bij het bepalen van de hoogte hiervan heeft de inspecteur met een beroep op art. 3.154, lid 8, Wet IB 2001 de geheven en herrekende premie voor de volksverzekeringen voor alle jaren in het middelingstijdvak gesteld op het bedrag dat zou zijn geheven of herrekend indien de AOW-premie in al die jaren verschuldigd zou zijn. Volgens de Hoge Raad is dat juist. Genoemde wetsbepaling strekt zich naar haar bewoordingen uit tot een middelingstijdvak waarin het jaar is begrepen waarin de belastingplichtige de 65-jarige leeftijd bereikt. De wetsgeschiedenis biedt onvoldoende steun voor het standpunt dat de bepaling naar de bedoeling van de wetgever of naar haar strekking niet van toepassing is indien in het middelingstijdvak geen premie AOW verschuldigd is.

(Cassatieberoep ongegrond.)

Feiten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft in 2002 de leeftijd van 65 jaar bereikt. Dientengevolge is hij met ingang van 1 januari 2002 geen premie voor de algemene ouderdomsverzekering (hierna: AOW) meer verschuldigd.

3.1.2. Belanghebbende heeft verzocht om een middelingsteruggaaf als bedoeld in artikel 3.154, lid 1, van de Wet IB 2001 over het middelingstijdvak 2002, 2003 en 2004. Bij het bepalen van de hoogte van de middelingsteruggaaf heeft de Inspecteur met een beroep op artikel 3.154, lid 8, van de Wet IB 2001 de geheven en…

Verder lezen
Terug naar overzicht