Commissie Gelijke Behandeling 10-07-2003, JAR 2003, 228


Deeltijdarbeid. Gelijke behandeling. Loon. Pensioen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 228.

De werknemer heeft steeds voltijd als verkeersvlieger gewerkt. In de toepasselijke CAO is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van verkeersvliegers eindigt met ingang van de 56e verjaardag van de vlieger. De CAO kent de mogelijkheid van een afbouwvariant op grond waarvan de vlieger vanaf de 48-jarige leeftijd 80% kan gaan werken, in welk geval hij tot zijn 58e jaar in dienst kan blijven. Vliegers die kiezen voor deze regeling ontvangen in de jaren dat zij van de regeling gebruik maken een toeslag op hun salaris ter hoogte van 10-12%, zijnde een compensatie voor de vrijvallende pensioenuitkeringen tussen het 56e en 58e jaar. De werknemer is van mening dat deze regeling onderscheid naar arbeidsduur maakt. De werkgever stelt dat geen sprake is van een lagere beloning omdat, over een langere periode bezien, de pensioenopbouw en de hoogte van het pensioen van de deeltijdvlieger gelijk zijn aan die van de voltijdvlieger. De vervroegde pensioenleeftijd is noodzakelijk met het oog op de doorstroming van jonge vliegers. De Commissie Gelijke Behandeling stelt vast dat, door vliegers die hebben gekozen voor de afbouwregeling een toeslag uit te keren op het salaris, de beloning voor deeltijders per gewerkt uur hoger is dan die van voltijders. Dat levert volgens vaste rechtspraak een verboden onderscheid op. Het feit dat dit beloningsverschil door het pensioenfonds bij wijze van compensatie voor de vrijvallende pensioenuitkeringen tussen de 56 en 58 jaar wordt toegekend, doet hieraan niet af, nu pensioen als loon moet worden aangemerkt. Nu deeltijdvliegers bovendien de mogelijkheid wordt geboden om twee jaar langer door te werken dan voltijders, kan het beloningsverschil ook navenant langer blijven bestaan. Objectieve rechtvaardiging van dit onderscheid is mogelijk. De doelen die worden beoogd met de afbouwregeling, te weten het laten doorstromen van vliegers, het flexibiliseren van de pensioenleeftijd en het bevorderen van een evenwichtige leeftijdsopbouw van het vliegerscorps zijn voldoende zwaarwegend en niet discriminerend. De regeling heeft als zodanig noch een gunstig noch een ongunstig effect op de doorstroming van vliegers. De regeling is echter niet noodzakelijk om de doelstellingen te bereiken. Niet is onderzocht hoeveel vliegers daadwerkelijk zouden willen doorvliegen na hun 56e jaar. Ook is niet aangetoond dat er geen andere mogelijkheden zijn om de gewenste doorstroming te bereiken, bijvoorbeeld door verzoeken om langer dan de pensioengerechtigde leeftijd te mogen doorwerken, individueel te toetsen. Een dergelijke toetsing zou mogelijk moeten zijn nu het maar om kleine aantallen vliegers gaat. Er is aldus sprake van een verboden onderscheid naar arbeidsduur.

Terug naar overzicht