Commissie Gelijke Behandeling 22-08-2002, JAR 2002, 209


Gelijke behandeling. Uitzendarbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 209.

De werkneemster was op inleenbasis werkzaam bij een bedrijf voor spel en kansspelen. De eerste 15 jaar werkte zij als schoonmaakster en de laatste vijf jaar als garderobedame. Sinds 1998 heeft de inlener het beleid ten aanzien van representativiteit aangescherpt. In november 2000 heeft de inlener de werkneemster meegedeeld dat zij te weinig representatief was om de functie van garderobedame nog langer te vervullen. Kort daarop is haar de toegang tot de werkplek ontzegd. De werkneemster stelt dat de inlener aldus onderscheid maakt naar geslacht omdat aan haar een schoonheidsnorm zou zijn opgelegd die niet op gelijke wijze aan mannelijke collega's wordt opgelegd. De inlener stelt in de eerste plaats dat hij de werkgever niet is en in de tweede plaats dat hij aan mannen gelijke eisen stelt als aan vrouwen. De werkneemster zou zich te uitbundig, luidruchtig en amicaal hebben gedragen naar gasten toe en niet bescheiden en discreet. Bovendien zouden zowel medewerkers van de inlener als gasten bij de directie kritische opmerkingen hebben geuit over de uiterlijke verzorging en het gedrag van de werkneemster. De Commissie legt het begrip "onder zijn gezag" in de zin van art. 1b Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB) ruim uit. Gebleken is, aldus de Commissie, dat de inlener bepaalde instructie-, aanwijzings- en beoordelingsbevoegdheden had ten aanzien van de werkneemster. Daaruit volgt dat de werkneemster arbeid onder gezag heeft verricht. Daarmee is art. 7:646 BW van toepassing. Naar het oordeel van de Commissie heeft de inlener geen direct onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. De representativiteitseisen zijn sekseneutraal geformuleerd. Evenmin is sprake van indirect onderscheid. Onweersproken is dat, behalve de werkneemster, één man en één vrouw hun werkzaamheden hebben moeten staken. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat in meerdere mate vrouwen dan mannen door de eisen zijn getroffen. Verder is niet gebleken dat de inlener met de representativiteitseisen een stereotype schoonheidsnorm aan vrouwen heeft gesteld, waardoor vrouwen door de toepassing van de eisen worden benadeeld.

Terug naar overzicht