CWI 18-06-2002, JAR 2002, 156


Loon. Opschorting. Ontslag op staande voet (werkweigering). Opschorting. Overwerk. RDA-/CWI-vergunning.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 156.

De werkgever heeft het CWI toestemming gevraagd voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de werknemer omdat de werknemer, die volgens zijn arbeidsovereenkomst op zondagen drie uur werk moet verrichten in het horecabedrijf van zijn werkgever, vanaf zondag 31 maart 2002 niet meer is komen opdagen. De werkgever heeft de werknemer op staande voet ontslagen en vraagt thans voor zover vereist om een ontslagvergunning. De werknemer stelt ten verwere dat de werkgever de gemiddeld 12 overuren per week die hij heeft gemaakt, niet heeft betaald. Omdat hij eind maart nog steeds geen betaling voor het overwerk had ontvangen, heeft hij op vrijdag 29 maart aan zijn werkgever laten weten dat hij zijn werkzaamheden zou opschorten, indien hij het hem toekomende loon niet onmiddellijk zou ontvangen. De werkgever zou gezegd hebben dat hij het loon na Pasen zou krijgen. De werknemer is daarmee niet akkoord gegaan. Hij stelt zijn werkzaamheden te hebben opgeschort met een beroep op de exceptio non adimpleti contractus omdat hij een opeisbare vordering op de werkgever heeft en tussen zijn vordering en de arbeidsovereenkomst voldoende samenhang bestaat om die opschorting te rechtvaardigen. De functionaris van het CWI oordeelt dat de bevoegdheden tot opschorting van de nakoming van verbintenissen uit een wederkerige overeenkomst van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst. Op gelijke wijze geldt daarbij de regel dat de schuldenaar in gebreke moet worden gesteld bij een schriftelijke aanmaning, waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. In onderhavig geval is eerst per 15 mei 2002 aan de werkgever een schriftelijke aanmaning verzonden. De werknemer heeft op 29 maart om betaling verzocht met het ultimatum anders zijn werkzaamheden met onmiddellijke ingang te zullen opschorten. De toezegging van de werkgever dat hij na Pasen zou betalen, bleek onvoldoende. Op deze wijze heeft de werknemer in strijd gehandeld met de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. Door de concrete toezegging van de werkgever hoefde hij niet te vrezen dat de betaling niet kwam. In elk geval is niet gebleken dat de werknemer niet tot na het weekend kon wachten. Onder deze omstandigheden ligt verlening van de gevraagde ontslagvergunning in de rede.

Terug naar overzicht