De toepassing van renteaftrekbeperkingen op geactiveerde rente bij onderhanden werk


In deze bijdrage wordt een beschrijving gegeven van de discussie omtrent de toepasbaarheid van de renteaftrekbeperkende maatregel van art. 10d Wet VPB 1969 op aan onderhanden werk toe te rekenen financieringsrente. Aan de hand van enkele voorbeelden tonen wij aan waarom wij het oneens zijn met het door de minister als uitvoerder verwoorde beleid op dit punt en de tegenstrijdigheid van dit beleid met zijn uitlatingen als wetgever.

Inleiding

Op 8 maart 2010 is een besluit van de minister van Financiën gepubliceerd met standpunten over afschrijvingen op bedrijfsmiddelen.1 Een daarvan gaat over de waardering van en ‘afschrijving’ op onderhanden werk en opdrachten. Daarnaast wordt specifiek ingegaan op renteaftrekbeperkingen die van toepassing kunnen zijn op geactiveerde financieringsrente bij de waardering van onderhanden werken en opdrachten2. Hierover hebben wij de afgelopen jaren gepubliceerd in enkele fiscale vakbladen.3 Omdat het standpunt van de minister haaks staat op onze eerdere standpunten, en bovendien op afspraken die de staatssecretaris met de bouwbranche maakte, leek het ons zinvol de verschillende invalshoeken nog eens te belichten.

1 Beschrijving van de discussie

Per 1 januari 2007 is met de invoering van art. 3.29b Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) voor het eerst een wettelijk waarderingsvoorschrift ingevoerd voor onderhanden werk en opdrachten.5 Deze bepaling schrijft voor dat de waardering van onderhanden werk moet worden gesteld op het gedeelte van de overeengekomen vergoeding voor het aangenomen werk dat daaraan is toe te rekenen.6

Het hiervoor genoemde waarderingsvoorschrift is een wijziging van de waarderingsmethodiek volgens goed koopmansgebruik7, zoals die in elk geval tot 1 januari 2007 werd ingevuld door de literatuur en jurisprudentie. Kortweg kan de waarderingsmethodiek van voor…

Verder lezen
Terug naar overzicht