ECLI:NL:PHR:2017:550 Parket bij de Hoge Raad , 09-05-2017 / 15/05598

Uitspraak

Nr. 15/05598

Zitting: 9 mei 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:


[verdachte]

  1. De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 november 2015 de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof in zijn strafmotivering heeft overwogen dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder meermalen voor overtreding van art. 8 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) en één maal voor overtreding van art. 9, vijfde lid, WVW 1994, terwijl de eerdere veroordeling ter zake van art. 9, vijfde lid, WVW 1994 pas onherroepelijk is geworden nadat de verdachte het bewezen verklaarde feit had begaan.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij op 24 januari 2013 te Rotterdam een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

  5. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en ter motivering van de opgelegde straf het volgende overwogen:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een motorrijtuig bestuurd tijdens een periode dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Tegen plegers van misdrijven als het onderhavige dient streng te worden opgetreden teneinde te voorkomen dat de werking van dergelijke - in het belang van de verkeersveiligheid gegeven - beslissingen wordt gefrustreerd.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 oktober 2015 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder meermalen voor overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en éénmaal eerder voor overtreding van artikel 9, lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof acht een taakstraf in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw subsidiair is verzocht, niet op zijn plaats, gelet op de ernst van het feit en de hiervoor genoemde justitiële documentatie.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.”

6. Bij de stukken van het geding bevindt zich een elf pagina’s tellend uittreksel justitiële documentatie van 21 oktober 2015 betreffende de verdachte. De Wegenverkeerswet is in de justitiële documentatie van de verdachte ruim vertegenwoordigd. Het uittreksel bevat onder “volledig afgedane zaken betreffende misdrijven”, naast verschillende (onherroepelijke) veroordelingen voor andersoortige feiten, onder meer1 de volgende onherroepelijke veroordelingen ter zake van overtredingen van art. 8 en 9 WVW 1994:(i) De verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 3 december 2012 ter zake van overtreding van art. 9, vijfde lid, WVW 1994 (een motorrijtuig besturen wetende dat de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst, gepleegd op 21 februari 2012) veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, en een werkstraf van 32 uren, subsidiair zestien dagen hechtenis. Dit vonnis is op 11 december 2013 onherroepelijk geworden. (ii) Het hof ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 16 december 2011 de verdachte ter zake van overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994 (rijden onder invloed, gepleegd op 9 mei 2010) veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, subsidiair vijftien dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Dit arrest is op 12 juni 2012 onherroepelijk geworden. (iii) De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 24 juli 2009 de verdachte ter zake van overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994 (gepleegd op 4 november 2007) veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis. Dit vonnis is op 1 oktober 2009 onherroepelijk geworden. (iv) De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 9 december 2008 de verdachte ter zake van overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994 (gepleegd op 12 april 2008) veroordeeld tot een geldboete van € 650,-, subsidiair dertien dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is op 15 september 2009 onherroepelijk geworden. (v) De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 23 januari 2006 de verdachte ter zake van overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994 (gepleegd op 19 februari 2005) en overtreding van art. 162, derde lid, WVW 1994 (een voertuig besturen tijdens een rijverbod, gepleegd op 19 februari 2005) veroordeeld tot een geldboete van € 560,-, subsidiair elf dagen hechtenis. Dit vonnis is op 23 januari 2006 onherroepelijk geworden.

7. In zijn hiervoor onder 5 weergegeven strafmotivering heeft het hof overwogen dat uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder meermalen voor overtreding van art. 8 WVW 1994 (rijden onder invloed) en één keer voor overtreding van art. 9, vijfde lid, WVW 1994 (een motorrijtuig besturen wetende dat de geldigheid van zijn rijbewijs is geschorst), en dat dat hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen. De verwijzing naar de onherroepelijke veroordeling ter zake van overtreding van art. 9, vijfde lid, WVW 1994 vindt geen steun in de hiervoor samengevatte justitiële documentatie van de verdachte. Het uittreksel bevat immers slechts één onherroepelijke veroordeling ter zake van overtreding van art. 9, vijfde lid, WVW 1994, terwijl het desbetreffende vonnis van 3 december 2012 eerst op 11 december 2013 onherroepelijk is geworden.2 Ten tijde van het bewezen verklaarde feit, te weten op 24 januari 2013, was deze veroordeling nog niet onherroepelijk.

8. Naar mijn mening hoeft het voorafgaande niet tot cassatie te leiden. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De overweging van het hof dat “dat” de verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, begrijp ik aldus dat het hof doelt op de in de voorafgaande zin neergelegde omstandigheid dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Uit de hiervoor verkort aangeduide inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en dat die veroordelingen onherroepelijk zijn geworden voorafgaande aan de pleegdatum van het bewezen verklaarde feit. De enkele omstandigheid dat zulks niet geldt voor de eerdere veroordeling ter zake van overtreding van art. 9, vijfde lid, WVW 1994 is naar mijn mening niet fataal. Bepalend is dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en niet de precieze aard van het delict. Dat laatste blijkt al uit de specifieke verwijzing naar de onherroepelijke veroordelingen ter zake van overtreding van art. 8 WVW 1994, die wel steun vindt in de documentatie. Gelet op deze verwijzing, ligt het voor de hand dat het hof betekenis heeft gehecht aan de - uit de justitiële documentatie blijkende - omstandigheid dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de WVW 1994, ook zonder dat het feit onder dezelfde strafbepaling in de WVW 1994 valt te rubriceren.3

9. Gelet op het voorafgaande, leent het bestreden arrest zich voor een verbeterde lezing. De bestreden overwegingen kunnen worden gelezen met weglating van de bij kennelijke misslag opgenomen woorden “en éénmaal eerder voor overtreding van artikel 9, lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994”. Aan het middel komt vervolgens de feitelijke grondslag te ontvallen.4

10. Het middel faalt.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1
Het uittreksel vermeldt voorts onder “Toepassing Recidiveregeling Ernstige Verkeersdelicten” twee veroordelingen ter zake van overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994 (rijden onder invloed), die op 15 juli 2014 respectievelijk 29 oktober 2013 onherroepelijk zijn geworden. Daarnaast houdt het uittreksel onder “openstaande zaken betreffende misdrijven” in dat de verdachte ter zake van overtreding van art. 163, tweede lid, WVW 1994 (weigering van ademanalyse) is veroordeeld en dat die veroordeling op 31 oktober 2011 onherroepelijk is geworden. Ook maakt het uittreksel onder “volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” melding van twee veroordelingen ter zake van (onder meer) overtreding van art.7, eerste lid, WVW 1994 (verlaten van plaats van ongeval), die op 10 juni 2008 respectievelijk 2 september 2008 onherroepelijk zijn geworden.
2
Het uittreksel bevat onder “volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” nog één andere beslissing ter zake van overtreding van art. 9, vijfde lid, WVW 1994. Bij vonnis van 3 december 2012 heeft de politierechter in de rechtbank Rotterdam de verdachte ter zake van dit feit vrijgesproken, terwijl dit vonnis op 18 december 2012 onherroepelijk is geworden.
3
Vgl. voor een geval waarin een onvolkomenheid in de strafmotivering gelet op de gehele strafmotivering niet tot cassatie heeft geleid: HR 1 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:824, rov. 3.4 (eerste alinea).
4
Vgl. voor een zaak waarin de Hoge Raad de verwijzing naar een eerdere veroordeling ter zake van meerdere strafbare feiten in de strafmotivering verbeterd heeft gelezen HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1160, rov. 2.