Gem. Hof NA en Aruba 17-09-2002, NJ 2003, 290


Ongewenste intimiteiten. Ontslag op staande voet. Wederzijds goedvinden.

Een salesmanager, bijna zeven jaar in dienst, neemt met onmiddellijke ingang ontslag na een gesprek met de hotelmanager, waarbij hij wordt geconfronteerd met een voor hem belastend rapport van de beveiligingsdienst. De werknemer zou dronken op het werk zijn geweest en een minderjarig meisje hebben betast. Daags na zijn ontslagname komt de werknemer terug op zijn ontslag. Het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) acht de werkgever geslaagd in het bewijs dat de werknemer zelf ontslag heeft genomen en oordeelt dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de werkgever de werknemer niet aan zijn ontslagname heeft kunnen houden. Het Hof overweegt dat wil een werkgever zijn werknemer aan een vrijwillig ontslagname houden er sprake moet zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst (zie HR 28-05-1982, NJ 1983, 2 en HR 20-09-1991, NJ 1991, 785). Daarnaast dient de werkgever zich ervan te vergewissen dat de werknemer de beëindiging werkelijk beoogde. Volgens het Hof blijkt uit getuigenverklaringen dat de werknemer, nadat hij was geconfronteerd met de gerezen verdenking, zich zorgen maakte om zijn reputatie, dat hij om die reden ontslag wilde nemen en dat de werkgever dit ontslag heeft geaccepteerd. Bovendien is vast komen te staan dat de werknemer na ontslagname aan de hotelmanager heeft gevraagd of hij een ontslagvergoeding zou ontvangen. De hotelmanager heeft gezegd daarop terug te zullen komen en daarna de werknemer gevraagd of hij bij zijn ontslag bleef. Niet is vast komen te staan dat de werknemer hierop ondubbelzinnig en bevestigend heeft geantwoord. Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat de werkgever had moeten onderzoeken of de werknemer ook ontslag zou hebben genomen als hij wist dat hij geen uitkering zou ontvangen. De werkgever had de werknemer duidelijk moeten informeren over de hoogte van de vergoeding en een redelijke termijn moeten gunnen om over de financiële consequenties na te denken. Door dit niet te doen heeft de werkgever zich er niet van vergewist of de werknemer het ontslag ook werkelijk wilde. Onder deze omstandigheden kan de werkgever de werknemer niet aan zijn ontslag houden en het Hof vernietigt het vonnis.

Terug naar overzicht