Hof Amsterdam 05-06-2003, JAR 2003, 196


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 196.

De werkgever heeft in september 2002 ontbinding wegens een dringende reden verzocht van de arbeidsovereenkomst van de werknemer, bijna 39 jaar oud, ruim twee jaar in dienst als tuinbouwmedewerker tegen een salaris van € 1.151,91 per maand. De werknemer heeft geen verweerschrift ingediend en is niet verschenen op de mondelinge behandeling op 21 oktober 2002. De kantonrechter heeft overwogen dat, gezien het op 18 oktober 2002 uitgebrachte oproepingsexploot, de werknemer deugdelijk en op het juiste adres is opgeroepen, alsmede dat hij (kennelijk) de gestelde feiten onweersproken laat. Daarop heeft hij de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een wijziging in de omstandigheden zonder toekenning van een vergoeding. De werknemer is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Hij stelt dat hij het verzoekschrift nooit heeft ontvangen omdat hij ingevolge een beschikking voorlopige voorziening in het kader van een echtscheidingsprocedure niet langer meer gerechtigd was om te blijven wonen op het adres waarop het oproepingsexploot is uitgebracht. Verder voert hij aan dat het de werkgever bekend was dat hij werd bijgestaan door een raadsman en dat het op de weg van de werkgever had gelegen om de raadsman van de werknemer te informeren omtrent de voorgenomen ontbinding. Tevens had de werkgever, aldus de werknemer, de kantonrechter ter terechtzitting moeten informeren dat de werknemer werd bijgestaan door een raadsman. Het hof acht het hoger beroep ontvankelijk wegens schending door de kantonrechter van het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof overweegt daartoe dat de werkgever door middel van toezending van een kopie van het verzoekschrift aan de raadsman van de werknemer, had kunnen voorkomen dat de werknemer niet op de hoogte was van de behandeling van het verzoek. Gezien de in het geding zijnde belangen had het in ieder geval op de weg van de werkgever gelegen om, toen de werknemer niet ter zitting verscheen, de kantonrechter te informeren dat de werknemer ter zake van dit geschil een advocaat had. De werkgever heeft erkend dat hij ervan op de hoogte was dat de werknemer werd bijgestaan door een advocaat alsook dat hij de kantonrechter niet hiervan op de hoogte heeft gebracht. Een en ander brengt mee dat, door toedoen van de werkgever, het recht van hoor en wederhoor in eerste aanleg is geschonden. Het hof behandelt de zaak vervolgens zelf en oordeelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens een wijziging van omstandigheden. Daarbij kent het hof, anders dan de kantonechter, aan de werknemer een vergoeding toe van € 2.488,14 (C=1).

Verder lezen
Terug naar overzicht