Hof Amsterdam 09-01-2003, KG 2003, 32, JAR 2003, 34


Loon. Staking.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 34.

(Zie voorgeschiedenis Vzngr. Rb. Utrecht 11-04-2002, JAR 2002, 97, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 512). Na afloop van de laatste CAO eind 2001 hebben de werkgevers- en werknemersorganisaties in het openbaar busvervoer onderhandeld over een nieuwe CAO, doch zonder resultaat. De CNF en FNV hebben daarop de actie "Gratis Openbaar Vervoer" aangekondigd. De bussen zouden daarbij wel rijden maar er zouden geen kaartjes worden verkocht en gecontroleerd. De werkgeversorganisaties hebben stopzetting van deze actie gevorderd. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. De actie heeft vervolgens plaatsgevonden op 11 en 12 april 2002 en is voortgezet op 13 en 14 april 2002. Op 14 april 2002 hebben de bonden een loonbod van de werkgeversorganisaties geaccepteerd en is de actie beëindigd. Op het hoger beroep van de werkgeversorganisaties overweegt het hof dat de actie van de vakbonden wordt bestreken door art. 6 lid 4 ESH. De actie ligt niet zodanig ver van het normale type van collectieve acties van werknemers dat zij niet meer onder dit artikel valt. Naar het oordeel van het hof is voorts geen onevenredige schade geleden door de werkgevers. De werkgevers zijn, nu de werknemers een voor hun werkgevers essentieel onderdeel van de werkzaamheden niet hebben uitgevoerd, gerechtigd een aanzienlijk deel van het salaris niet uit te betalen over de dagen waarop de actie is gevoerd. Een salariskorting van 50% zou daarbij gerechtvaardigd zijn geweest. De werkgevers kunnen deze korting bovendien toepassen op het gehele personeel, ongeacht de vraag of iedere werknemer daadwerkelijk aan de actie heeft deelgenomen, nu de onderhavige actie een collectieve actie van werknemersbonden betrof die meer in de risicosfeer van de werknemers als groep dan in die van de werkgevers ligt. Juist is dat de werkgevers bij deze actie de kosten als benzine en onderhoud gewoon moeten doorbetalen. Daar staat echter tegenover dat zij gevrijwaard blijven van schadeclaims van reizigers en geen afbreuk wordt gedaan aan de goodwill die zij onder reizigers hebben. Van belang is ook dat de gekozen actievorm niet tot ontwrichting van een deel van het maatschappelijk leven heeft geleid. Tot slot is niet gebleken dat de bonden de spelregels niet in acht hebben genomen. De actie was aldus niet onrechtmatig.

Terug naar overzicht