Hof Amsterdam 10-05-2001, JAR 2001, 126


Opzegging. Bepaalde tijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 126.

Een werknemer is op 1 september 1999 bij de werkgever in dienst getreden voor de duur van een jaar. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat circa twee maanden voor de expiratiedatum zal worden bezien of het dienstverband met de werknemer zal worden verlengd, en zo ja, op welke wijze. De werkgever heeft de werknemer evenwel twee dagen voor het einde van het contract laten weten het dienstverband niet te willen verlengen. De werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst aldus niet rechtsgeldig is geëindigd en heeft doorbetaling van loon gevorderd. De president in kort geding heeft zijn vordering toegewezen. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt het Hof dat een arbeidsovereenkomst ingevolge art. 7:667 lid 1 BW van rechtswege eindigt wanneer de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan is verstreken. De zinsnede dat "twee maanden voor de expiratiedatum zal worden bezien of het dienstverband zal worden verlengd" biedt als zodanig, zonder bijzondere omstandigheden, onvoldoende grondslag om hieruit de verplichting voor de werkgever af te leiden om de werknemer te waarschuwen dat verlenging van het contract ter discussie stond en, bij gebreke van een dergelijke waarschuwing, te concluderen dat het arbeidscontract van rechtswege wordt voortgezet. De bepaling dat zal worden bezien of het dienstverband zal worden verlengd, kan niet gelden als een bij de arbeidsovereenkomst bepaalde voorafgaande opzegging als bedoeld in art. 7:677 lid 2 BW. Zodanige opzegging is ook niet vereist. Het Hof vernietigt het vonnis van de president en wijst de vorderingen alsnog af

Terug naar overzicht