Hof Amsterdam 14-02-2002, JAR 2002, 65


Concurrentiebeding (belemmeringsverbod; WAADI). Managementovereenkomst. Uitzendarbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 65.

W&S is een bureau voor interim-management, dat in opdracht van derden tijdelijk leidinggevende taken vervult. Tussen W&S en W. is op 29 november 2000 een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van een jaar gedurende welk jaar W. als interim-directeur bij Vektis zou gaan werken. De overeenkomst bevatte de clausule dat W. tijdens en gedurende één jaar na afloop van de opdracht niet bij Vektis in dienst zou treden. Vektis en W&S hebben een interim-managementovereenkomst gesloten. Daarin was een verbod op het in dienst nemen van W. opgenomen. De opdracht zou oorspronkelijk eindigen per 31 mei 2001, maar is verlengd tot 1 oktober 2001, in verband met besprekingen over de wens van W. en Vektis om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Vektis en W. hebben W&S een bedrag van NLG 30.000,-- aangeboden teneinde het verbod op indienstneming/indiensttreding af te kopen, doch W&S heeft dit geweigerd. In kort geding heeft de president W&S verboden om Vektis en W. aan het verbod op indienstneming/indiensttreding te houden. Op het hoger beroep van W&S overweegt het hof dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat W. zijn werkzaamheden verrichtte onder toezicht en leiding van Vektis. Hij rapporteerde namelijk aan de raad van commissarissen van Vektis. Met W&S had W. veel minder frequent en globaler contact. Eén en ander betekent dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst tussen W&S en W. moet worden aangemerkt als een uitzendovereenkomst. Op een dergelijke overeenkomst is de WAADI van toepassing. Deze wet bevat niet langer het belemmeringenverbod zoals dit voorheen was opgenomen in de Arbeidsvoorzieningswet, maar de bedoeling van de wetgever is wel geweest dat een beding dat de vrije arbeidskeuze belemmert door de rechter vernietigd kan worden als zijnde een onredelijk bezwarend beding. Nu de regeling inzake algemene voorwaarden niet rechtstreeks van toepassing is, toetst het hof aan art. 7:653 BW. Uitkomst daarvan is dat de vrije arbeidskeuze van W. zwaarder dient te wegen dan het belang bij het verbod op indiensttreding van W&S. Belangrijke aspecten daarbij zijn dat niet zeker is dat W. op korte termijn weer een vergelijkbare opdracht bij W&S zou krijgen als die bij Vektis en dat hij bij Vektis een vast dienstverband zal krijgen. Bovendien heeft W&S aanzienlijke inkomsten ontvangen uit de uitzending van W. en hebben W. en Vektis W&S een redelijke afkoopsom geboden. W&S mag W. en Vektis daarom niet aan het verbod op indienstneming/indiensttreding…

Terug naar overzicht