Hof Amsterdam 18-03-2004, JAR 2004, 96


Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid werkgever.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 96.

De werknemer is van 1946 tot 1980 bij de werkgever in dienst geweest. Tijdens het dienstverband is hij blootgesteld geweest aan asbest. In januari 1996 is bij de werknemer longkanker vastgesteld. Op 7 januari 1998 is hij aan die ziekte overleden. Zijn erven hebben de werkgever voor de materiële en immateriële schade als gevolg van de ziekte aansprakelijk gesteld. De kantonrechter heeft 20% van de gevorderde schadevergoeding toegewezen. De kantonrechter heeft zich daarbij gebaseerd op medische rapportage waaruit blijkt dat de blootstelling op het werk aan asbest de kans op het krijgen van longkanker met 20% heeft verhoogd. Ook van de gevorderde kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en de buitengerechtelijke kosten heeft de kantonrechter 20% toegewezen. De erfgename van de werknemer heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld op de grond dat de kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en de buitengerechtelijke kosten volledig hadden moeten worden toegewezen. De werkgever heeft incidenteel appèl ingesteld op de grond dat een te hoog percentage van de gevorderde schadevergoeding is toegekend. Naar het oordeel van het hof slaagt de grief in het principaal appèl. Tussen het feit dat de werkgever jegens de werknemer tekort is geschoten in de nakoming van zijn zorgplicht en de kosten ter vaststelling van de daaruit voortvloeiende schade en aansprakelijkheid bestaat een volledig en niet slechts een percentueel causaal verband. Anders dan de werkgever lijkt te betogen, heeft de kantonrechter niet overwogen dat (voor 80%) sprake is van eigen schuld van de werknemer in de zin van art. 6:101 BW. De kantonrechter heeft op basis van het deskundigenbericht geoordeeld dat de blootstelling aan asbest, waarvoor de werkgever geheel verantwoordelijk is, voor 20% heeft bijgedragen aan de bij de werknemer geconstateerde longkanker. Over de bijdrage van het rookgedrag van de werknemer aan het ontstaan van de longkanker en – in het kader van dat gedrag – de mate van eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW heeft de kantonrechter geen expliciete uitspraak gedaan. Het hof acht de redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte toewijsbaar. De grieven in het incidenteel appèl worden door het hof verworpen. Op basis van de medische rapportages en van andere overgelegde stukken is voldoende duidelijk geworden dat de werknemer op het werk blootgesteld is geweest aan asbest. Tevens hebben de deskundigen in relevante mate rekening gehouden met het rookgedrag van de werknemer. De veroordeling van de werkgever tot vergoeding van 20% van de schade kan daarom in stand blijven.

Terug naar overzicht