Hof Amsterdam 20-03-2003, JAR 2003, 103


Overgang onderneming. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 103.

De werknemer is vanaf september 1981 bij de Kamerbeek Groep B.V. in dienst geweest en heeft zich vanaf 1996 met VVE-activiteiten bezig gehouden. Bij overeenkomst van 11 december 2000 heeft Kamerbeek VVE-Diensten B.V. een deel van haar activa en passiva en haar handelsnaam verkocht aan VVE Rotterdam. Daarbij is overeengekomen dat VVE Rotterdam het personeel van Kamerbeek VVE-Diensten zal overnemen, waaronder de werknemer. Bij brief van 13 december 2000 heeft de gemachtigde van de werknemer aan de Kamerbeek Groep kenbaar gemaakt dat de werknemer er problemen mee heeft om in het vervolg in Rotterdam te moeten werken, vanwege de reistijd, hoge werkdruk en medische bezwaren. De gemachtigde heeft een voorstel tot ontbinding gedaan, hetgeen geen gevolg heeft gekregen. Per 20 december 2000 heeft de werknemer zich ziek gemeld. VVE Rotterdam heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de werknemer niet bij haar in dienst is, terwijl Kamerbeek heeft gesteld dat dit wel het geval is. De werknemer heeft van beide partijen doorbetaling van loon gevorderd. De kantonrechter heeft de vordering tegen VVE Rotterdam toegewezen. Op het hoger beroep van VVE Rotterdam overweegt ook het hof dat de werknemer krachtens overgang van onderneming bij VVE Rotterdam in dienst is gekomen. Mogelijk stond de werknemer formeel niet op de loonlijst van Kamerbeek VVE-Diensten, maar op die van de Kamerbeek Groep B.V. Beide ondernemingen waren echter nauw met elkaar verbonden. Zo heeft de directeur van de Kamerbeek Groep bij de overgang van onderneming Kamerbeek VVE-Diensten rechtsgeldig vertegenwoordigd. Verder verrichtte de werknemer zijn werkzaamheden feitelijk voor Kamerbeek VVE-Diensten. Ten derde stond hij vermeld op de lijst van werknemers die mee overgingen, zodat beide partijen er kennelijk van uit zijn gegaan dat dit de bedoeling was. Het betoog van VVE Rotterdam dat de werknemer afstand heeft gedaan van de voor hem uit art. 7:663 BW voortvloeiende bescherming, wordt door het hof verworpen. Hiertoe is vereist dat ondubbelzinnig blijkt dat de werknemer dit wil doen. Onvoldoende is dat de werknemer bezwaar heeft gemaakt tegen de reisafstand.

Terug naar overzicht