Hof Amsterdam 22-06-2000, JAR 2000, 178


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 178.

Een werknemer raakt gewond door een val als gevolg van het afbreken van een handgreep aan een vliegtuigcateringwagen en vordert in kort geding een voorschot op schadevergoeding van de werkgever. De vordering wordt in twee instanties toegewezen. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat voldoende (onderhouds)maatregelen zijn genomen die redelijkerwijs nodig zijn om het afbreken van de handgreep te voorkomen. Het feit dat de arbeidsinspectie geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet heeft kunnen vaststellen is daarvoor niet voldoende. Ook al voerde de werkgever regelmatig controles uit op zichtbare beschadigingen had de werkgever ook bedacht moeten zijn op de aanwezigheid van een haarscheurtje (metaalmoeheid). De werkgever heeft in kort geding onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat haar geen verwijt treft. Ook al zou zij niet uit art. 7:658 BW aansprakelijk zijn is zij als bezitter van het voertuig aansprakelijk ex art. 6:173 BW. De in art. 6:173 lid 3 BW opgenomen uitsluiting voor motorrijtuigen gaat hier niet op, omdat de beoogde algemene wettelijke regeling van aansprakelijkheid voor motorrijtuigen buiten verkeersongevallen nog niet tot stand is gebracht. De wettelijke regeling is derhalve lacuneus en uit een oogpunt van bescherming van slachtoffers als de werknemer tegen risico's van gebrekkig motorrijtuigen is het onaanvaardbaar dat de bescherming van art. 6:173 BW hen zou worden onthouden.

Terug naar overzicht