Hof Amsterdam 23-06-1999, RvdW KG 1999, 191, JAR 1999, 175


Staking.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 175.

(Hoger beroep van President Rechtbank Amsterdam 18-06-1999 (Gisolf), RvdW KG 1999, 190, zie hierna blz. ?). Twee vakverenigingen gaan in hoger beroep van een kortgedingvonnis, waarin zij worden geboden de bij hun aangesloten orkestleden op te roepen af te zien van de geplande werkstaking. Het Hof overweegt dat het Holland Festival in beginsel de staking op grond van art. 6 ESH heeft te dulden als zijnd een erkend grondrecht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 1997, NJ 1997, 437 (FNV/VSN, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 380) overweegt het Hof, dat de rechter een staking mag beperken, ingeval die staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van art. 31 ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen, dat beperkingen maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. Met betrekking tot de vraag of de staking in dit geval onrechtmatig jegens het Holland Festival is, overweegt het Hof dat de acties voldoende zorgvuldig zijn voorbereid en tijdig zijn aangekondigd wat betreft aard en tijdstip van uitvoering. Toen de werkonderbrekingen niet tot het beoogde resultaat leidden, zijn de vakverenigingen tot zwaardere acties overgegaan. Niet is gebleken dat de vakverenigingen hiertoe in redelijkheid niet hebben kunnen besluiten en ook is niet gebleken dat de vakverenigingen selectief alleen het Holland Festival hebben willen treffen. Aannemelijk is dat op het tijdstip dat men tot het niet-uitvoeren van de concerten overging, er geen andere opdrachtgevers meer waren die door de acties getroffen zouden kunnen worden. Bovendien is niet aannemelijk dat de vakverenigingen, ongeacht het resultaat, zullen afzien van verdere acties. Hoewel het Holland Festival onmiskenbaar schade lijdt, is deze niet zo aanzienlijk dat het voortbestaan van het Holland Festival door de acties onmiddellijk in concreet gevaar dreigt te komen. Ook is niet aannemelijk dat in artistiek opzicht onherstelbare schade is geleden. Het Hof is derhalve van mening dat het Holland Festival niet zodanig onevenredig in haar belangen wordt geschaad dat de staking verboden moet worden. Het Hof vernietigt het vonnis van de president.

Verder lezen
Terug naar overzicht