Hof Amsterdam 26-07-2001, NJ 2004, 87, JOR 2004, 94


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling. Executiegeschil. Aansprakelijkheid werkgever.

De arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt ontbonden met ingang van 1 februari 1993 met een vergoeding van NLG 60.000,– bruto. De werkgever houdt blijkens het Handelsregister op te bestaan met ingang van 27 december 2000, wegens gebrek aan baten. De beheermaatschappij van de werkgever deponeert bij de Kamer van Koophandel een verklaring dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de uit rechtshandelingen van de werkgever voortvloeiende schulden in de zin van art. 2:403 lid 1 BW, met ingang van 1 januari 1992. De werknemer vordert thans van de beheermaatschappij de ontbindingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente. De president in kort geding wijst de vordering toe. De beheermaatschappij gaat in hoger beroep stellende dat de ontbindingsvergoeding geen schuld uit een rechtshandeling is, maar voortvloeit uit de wet (art. 7A:1639w BW (oud)). Indien de ontbindingsvergoeding wel voortvloeit uit een rechtshandeling (aangaan van de arbeidsovereenkomst), dan is de beheermaatschappij niet aansprakelijk, omdat deze handeling is verricht voor de deponering van de verklaring bij de Kamer van Koophandel. Het hof is van oordeel dat een schuld, die zijn oorsprong vindt in een rechtshandeling, een schuld is die voortvloeit uit deze rechtshandeling. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis stelt het hof dat een ontbindingsvergoeding als zodanig is te beschouwen. De schuld aan de werknemer is per 1 februari 1993 ontstaan en de beheermaatschappij heeft verklaard aansprakelijk te zijn voor de schulden van de werkgever vanaf 1 januari 1992. Met betrekking tot het oordeel van de beheermaatschappij dat de werknemer geen spoedeisend belang heeft, omdat hij acht jaar heeft gewacht met het aanspreken van de beheermaatschappij, oordeelt het hof dat gezien het feit dat de werknemer al sinds 1993 tracht de ontbindingsvergoeding te incasseren en dat hij pas eind 2000 heeft vernomen dat de beheermaatschappij mede aansprakelijk is, hij een voldoende spoedeisend belang heeft. Aan het restitutierisico, gezien de WAO-uitkering van de werknemer, kent het hof geen betekenis toe omdat verwacht wordt dat de bodemrechter overeenkomstig zal oordelen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de president.

Verder lezen
Terug naar overzicht