Hof Amsterdam 27-09-2001, JAR 2001, 215


Directeur. Bepaalde tijd. Opzegging (voorlopige surséance). Gefixeerde schadevergoeding (contractuele afvloeiingsregeling).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 215.

(Hoger beroep van Pres Rb Amsterdam 17-05-2001, JAR 2001, 123). De werknemer is op 1 mei 2000 als algemeen directeur Latijns-Amerika bij de werkgever in dienst getreden voor de duur van drie jaar. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat indien de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer voortijdig beëindigt "without just cause" het salaris over het restant van de driejaarstermijn aan de werknemer zal worden betaald. Op 29 december 2000 heeft de rechtbank aan de werkgever op eigen verzoek voorlopig surséance van betaling verleend. Op 19 januari 2001 heeft de werkgever met machtiging van de bewindvoerders de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd tegen 1 maart 2001 "because plans as to South America have changed." Op 21 februari 2001 heeft de werkgever het verzoek tot voorlopige surséance ingetrokken. Op vordering van de werknemer heeft de president geoordeeld dat de werkgever de overeengekomen afvloeiingsregeling moet nakomen. Daartoe heeft de president overwogen dat geen sprake is van een "just cause" voor het ontslag en dat de surséance niet aan de vordering van de werknemer in de weg staat. Op het hoger beroep van de werkgever neemt het hof dit oordeel integraal over. Ook het hof is van mening dat het arrest in de zaak "Van Gelder Papier" (HR 12-01-1990, RvdW 1990, 25, NJ 1990, 662) waarin de Hoge Raad oordeelde dat een vóór het faillissement getroffen, gefixeerde schadeloosstelling in faillissement geen kans van slagen heeft, niet geldt voor surséance, nu daarbij slechts sprake is van een tijdelijk uitstel van betaling. Verder stelt ook het hof vast dat de surséance op verzoek van de werkgever en de bewindvoerders al was ingetrokken vóór afloop van de arbeidsovereenkomst van de werknemer. De vordering van de werknemer is dus eerst opeisbaar geworden toen de werkgever niet meer in voorlopige surséance verkeerde. Daarom is er geen beletsel voor toewijzing ervan

Terug naar overzicht