Hof Arnhem 11-03-2003, JAR 2003, 104


Bepaalde tijd. Functiewijziging. Opzegging. Wederzijds goedvinden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 104.

De werkneemster is op 1 december 1981 bij de werkgever in dienst getreden als technisch vertaalster. Sinds 1991 werkte zij als personeelsfunctionaris. Met ingang van 1 september 2000 is zij, op eigen verzoek, aangesteld in de functie van bemiddelaar. De werkgever heeft haar daartoe voor twee jaar gedetacheerd bij een stichting die zich bezighoudt met het bemiddelen en begeleiden van ontslagen werknemers naar een andere baan. In het kader van deze detachering is een nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van twee jaar opgesteld. Daarbij is bepaald dat de oude arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is komen te vervallen. Bij brief van 16 juli 2002 heeft de werkgever de werkneemster laten weten dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2002 afloopt. De werkneemster heeft daartegen bezwaar gemaakt en heeft gesteld dat, op grond van art. 7:677 lid 4 BW, opzegging vereist is voor de beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die is voorafgegaan door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever heeft hiertegen ingebracht dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd rechtsgeldig is geëindigd, nu de werkneemster met de beëindiging heeft ingestemd, zodat de Ragetlie-regel niet van toepassing is. Verder verschillen partijen van mening over de vraag of de tweede arbeidsovereenkomst wezenlijk verschilt van de eerste. Het hof verwerpt het verweer van de werkgever ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het hof overweegt dat een vrijwillige beëindiging van een arbeidsovereenkomst door een werknemer voor deze in de regel zodanig ernstige gevolgen heeft, dat een dergelijke opzegging alleen geldig is als deze duidelijk en ondubbelzinnig op de beëindiging is gericht. In onderhavig geval is hiervan geen sprake, nu de werkneemster enkel een andere functie heeft willen gaan vervullen en het initiatief om terzake een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te sluiten, niet van haar is uitgegaan. Niettemin is voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, naar het oordeel van het hof, in onderhavig geval geen voorafgaande opzegging vereist. De reden hiervoor is dat er een wezenlijk verschil is tussen de werkzaamheden als bemiddelaar en die als personeelsfunctionaris, zowel inhoudelijk als ten aanzien van de betaling, plaats van het verrichten van de werkzaamheden en de overige omstandigheden. Van een voortzetting van de oude arbeidsovereenkomst is daarom geen sprake.

Terug naar overzicht