Hof Arnhem 11-11-2003, JAR 2003, 292


Loon. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 292.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Apeldoorn 26-02-2003, JAR 2003, 92, hierna). Op 9 september 2002 heeft de werknemer, die werkzaam was als rechterhand van de statutair directeur, zich ziek gemeld, kort nadat de aandeelhouders van de werkgever het vertrouwen in de directeur hadden opgezegd en deze op non-actief hadden gesteld. Op 19 december 2002 heeft de interim directeur van de werkgever de werknemer laten weten dat met ingang van de maand december slechts 70% van het overeengekomen loon betaald zou worden. Bij brief van 13 december 2002 heeft de Arbo-dienst aan de werkgever bericht dat er op dat moment geen medische beperkingen waren, maar dat wel mediation noodzakelijk was om de ontstane problemen op te lossen. Op 14 januari 2003 heeft de Arbo-dienst de werkgever laten weten dat de werknemer arbeidsongeschikt was, en dat deze arbeidsongeschiktheid voor een groot deel situationeel was. De werknemer heeft in rechte gevorderd dat de werkgever hem 100% van het loon doorbetaalt in plaats van 70%. De kantonrechter heeft de vordering van de werknemer toegewezen op de grond dat, nu er geen medische beperkingen waren, de vordering van de werknemer getoetst moest worden aan art. 7:628 BW in plaats van aan art. 7:629 BW. Deze toetsing moest volgens de kantonrechter in het nadeel van de werkgever uitvallen, omdat deze heeft gedraald met het ter hand nemen van mediation. Op het hoger beroep van de werkgever overweegt het hof dat uit de brief van de Arbo-dienst van 13 december 2002, waarin wordt gesteld dat geen sprake is van medische beperkingen, niet kan worden opgemaakt dat de werknemer op dat moment niet in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd was de bedongen arbeid te verrichten. Nog afgezien van het feit dat beide partijen stellen dat van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte sprake was, blijkt uit de brieven van de Arbo-dienst van 11 november 2002 en 14 januari 2003 dat de werknemer in elk geval op die dagen arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte was. Gesteld noch gebleken is dat de werknemer in de tussenliggende periode op enig moment hersteld was. De vordering moet derhalve worden getoetst aan art. 7:629 BW. Het hof concludeert vervolgens dat er te weinig aanwijzingen zijn dat bij de werkgever het gebruik bestond om 100% van het loon door te betalen. De vordering van de werknemer moet daarom worden afgewezen.

Terug naar overzicht