Hof Arnhem 15-04-2003, JAR 2003, 197


Afroepovereenkomst. Bepaalde tijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 197.

De werknemer is van 1 juli 1998 tot 9 juli 1999 bij de werkgever in dienst geweest op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst als oproepkracht tegen een uurloon van NLG 15,13. Op 9 juli 1999 is de werknemer bij de werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 9 januari 2001 in de functie van medewerker bediening voor 38 uur per week tegen een salaris van NLG 4.000,-- per maand. Deze arbeidsovereenkomst is aansluitend voortgezet voor bepaalde tijd tot 9 januari 2002 gedurende welke tijd de werknemer als restaurantmanager werkte voor 38 uur per week. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot 9 juli 2002. Deze drie arbeidsovereenkomsten zijn schriftelijk vastgelegd. De werkgever heeft de werknemer eind mei 2002 meegedeeld de laatste arbeidsovereenkomst niet te zullen verlengen. De werknemer stelt zich primair op het standpunt dat de eerste arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en dat er met het sluiten van de vierde tijdelijke arbeidsovereenkomst een overeenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Subsidiair voert hij aan dat, als de eerste overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, er op basis van de Ragetlie-regel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De kantonrechter in kort geding heeft zijn vordering afgewezen. Op het hoger beroep overweegt het hof dat de arbeidsovereenkomst op basis waarvan de werknemer als oproepkracht werkte, moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het hof verwijst in dit verband naar de toepasselijke CAO waarin is vermeld dat, als de werkgever met de werknemer geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan, er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder proeftijd bestaat. Verder heeft de werknemer niet aangegeven voor welke duur de arbeidsovereenkomst zou zijn aangegaan. Er is daarom sprake van drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten, waarvan de laatste van rechtswege is geëindigd. Het hof verwerpt ook het beroep van de werknemer op de Ragetlie-regel. Naar het oordeel van het hof verschilt het oproepcontract te zeer van de daarna gesloten arbeidsovereenkomst om te kunnen aannemen dat de identiteit van beide arbeidscontracten hetzelfde is. Het hof wijst in dat verband op het feit dat de werknemer vóór 9 juli 1999 slechts enkele uren per maand als oproepkracht werkzaam was tegen een salaris dat aanmerkelijk lager was dan wat hij na 9 juli 1999, toen hij 38 uur per week ging werken, verdiende. Voor het overige leent de procedure zich, aldus het hof, niet voor nadere bewijslevering.

Terug naar overzicht