Hof Arnhem 24-06-2003, Prg. 2003, 6095, JAR 2003, 198


Loon. Passende arbeid. Vakantie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 198.

De werkneemster is van 1 april 1997 tot 1 februari 2001 bij de werkgever in dienst geweest als ambulanceverpleegkundige. De werkneemster heeft zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten tot 29 december 2000. Bij brief van 27 december 2000 heeft de werkgever met toestemming van de RDA de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 februari 2001 wegens beëindiging van de door hem gedreven ambulancedienst. De werkgever heeft de werkneemster voorgesteld dat zij over de maand januari 2001 ofwel vakantiedagen zou opnemen ofwel bij één van drie andere ambulancediensten werkzaamheden zou verrichten. Bij deze ambulancediensten zou een kamer zijn waarin zij borstvoeding zou kunnen geven. Tevens zou de werkgever deze ambulancediensten gevraagd hebben om de werkneemster zo mogelijk in de weekenden in te roosteren. De werkneemster heeft aangegeven dit voorstel niet redelijk te achten. Verder overleg heeft niet tot een oplossing geleid. De werkgever heeft vervolgens de vakantie-uren over januari niet uitbetaald. De werkneemster vordert dat hij hier alsnog toe overgaat. De kantonrechter heeft haar vordering afgewezen op grond van de overweging dat de werkneemster, als zij ervoor kiest om zowel kinderen op te voeden als te werken, zelf de daarbij behorende problemen dient op te lossen en deze niet op de werkgever kan afwentelen. Op het hoger beroep van de werkneemster overweegt het hof dat de werkgever niet tijdig een voorstel heeft gedaan voor het opnemen van vakantie door de werkneemster. Ook heeft hij bij de vaststelling van de vakantie geen rekening gehouden met de wensen van de werkneemster. Daarom kan niet gezegd worden dat de werkneemster vakantie heeft genoten in januari 2001. Met betrekking tot de stelling van de werkgever dat de werkneemster had kunnen werken in de maand januari 2001 oordeelt het hof dat de werkgever gehouden was om de werkneemster tot werkhervatting in staat te stellen en om het mogelijk te maken dat de werkneemster borstvoeding kon geven op de in art. 4:8 Arbeidstijdenwet bepaalde wijze. Het feit dat de werkgever inmiddels zijn bedrijf had beëindigd, zodat hij de werkneemster niet in haar eigen functie tewerk kon stellen, is een omstandigheid die voor zijn rekening komt. De aangeboden werkzaamheden bij een andere ambulancedienst kunnen niet als passend worden beschouwd, nu de werkzaamheden in de brief van 27 december 2001 nauwelijks zijn omschreven en het voorstel evenmin op een later moment is uitgewerkt en/of toegelicht, ook niet nadat de werkneemster had aangegeven niet zonder duidelijke afspraken op detacheringsbasis te willen werken, maar wel bereid te zijn passend werk te verrichten. De werkgever is daarom gehouden het loon over januari 2001 alsnog te betalen.

Terug naar overzicht