Hof Leeuwarden 01-12-1999, NJ 2000, 469


Ongewenste intimiteiten. Bewijs. Aansprakelijkheid werkgever.

Werkneemster vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad van leidinggevende wegens seksuele intimidatie. Een en ander had uiteindelijk geleid tot een verstoorde arbeidsrelatie op grond waarvan de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden. De leidinggevende ontkent alles en het Hof oordeelt in hoger beroep dat de bewijslast op de werkneemster rust. De door de behandelend huisarts en psychotherapeute overgelegde verklaringen leveren niet het bewijs, omdat in de therapeutische setting in de regel niet de objectieve waarheidsvinding voorop staat, maar het serieus nemen van de patiënt. Wel blijkt uit de overgelegde brieven welke de leidinggevende aan de werkneemster heeft geschreven en de tekst van een opgenomen telefoongesprek dat de leidinggevende de werkneemster op zodanig persoonlijke/vertrouwelijke wijze heeft benaderd, dat die benadering hetgeen gebruikelijk is in een werkverhouding overschrijdt. Het enkele feit dat de werkneemster voor wat betreft het werk afhankelijk was van de leidinggevende brengt niet zonder meer mee dat de leidinggevende wist of behoorde te weten dat zijn benadering door de werkneemster niet gewenst was. Voor onrechtmatigheid op dat punt moet komen vast te staan dat de werkneemster dat aan de leidinggevende kenbaar heeft gemaakt en dat de leidinggevende desondanks daarmee is doorgegaan. Dientengevolge volgt een bewijsopdracht aan de werkneemster.

Terug naar overzicht