Hof Leeuwarden 12-06-2002, JAR 2002, 164


Hoger beroep ontbinding.. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Ontbinding gewichtige redenen (verzoek werkgever). Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 164.

De kantonrechter heeft het verzoek van de werknemer (52 jaar, 14 jaar in dienst, salaris NLG 23.449,15 bruto per maand) tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen toegewezen, doch zonder toekenning van een vergoeding aan de werknemer. De werknemer stelt in hoger beroep dat de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden doordat hem te weinig gelegenheid is geboden om te reageren op het ter zitting mondeling door de werkgever ingediende tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het hof overweegt dat een mondeling verzoek in reconventie toelaatbaar moet worden geacht indien er een nauwe samenhang is tussen het oorspronkelijke verzoek en het mondeling ter zitting gedane tegenverzoek, het voeren van verweer daartegen mogelijk is en het verzoek niet in strijd is met de goede procesorde. Aan deze bepalingen is op zichzelf voldaan, aldus het hof. Geconstateerd moet echter worden dat feitelijke behandeling van het tegenverzoek niet heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de kantonrechter aan de werknemer niet de gelegenheid heeft geboden om mondeling op het tegenverzoek te reageren. De kantonrechter had deze gelegenheid temeer moeten bieden, nu de werknemer in reactie op het tegenverzoek het aspect van zijn functioneren als psychiater aan de orde had willen stellen, een aspect dat bij de behandeling van het oorspronkelijke verzoek niet aan de orde is gekomen. Verder heeft de werknemer bij brief van 14 februari 2002 nog expliciet gevraagd om op het tegenverzoek te mogen reageren. Eén en ander betekent dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden en dat de werknemer ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof behandelt dit beroep vervolgens inhoudelijk en ontbindt nogmaals de arbeidsovereenkomst. Het hof kent daarbij aan de werknemer wel een vergoeding toe, van € 252.824,13 (C=1) omdat de verstoring van de arbeidsrelatie met name aan de werkgever is te wijten.

Terug naar overzicht