Hof 's-Gravenhage 10-01-2003, NJ 2003, 394, JAR 2003, 105


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 105.

De werkgever heeft de werknemer met toestemming van de CWI ontslagen. De rechtbank heeft het ontslag als kennelijk onredelijk aangemerkt en heeft een vergoeding toegekend van € 27.500,-- naast een al eerder toegekend voorschot van NLG 15.000,--. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de kantonrechtersformule is ontwikkeld voor ontbindingsprocedures en daarom niet in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure als maatstaf voor het bepalen van de omvang van de vergoeding kan dienen. In hoger beroep voert de werknemer aan dat dit oordeel van de rechtbank onjuist is. Strekking van het toekennen van een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag en het toekennen van een billijke vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst is naar de mening van de werknemer dezelfde, namelijk het bieden van compensatie aan de werknemer voor het handelen van de werkgever in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarom dient aan hem, zo stelt de werknemer, een vergoeding te worden toegekend op basis van de kantonrechtersformule. Het hof deelt deze opvatting niet. De aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters zijn vastgesteld voor procedures ex art. 7:685 BW en niet voor procedures op grond van art. 7:681 BW. Bij de kantonrechtersformule wordt ook in aanmerking genomen dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn kan worden beëindigd en dat het ontbindingsverzoek kan worden ingetrokken. Deze omstandigheden doen zich niet voor bij een kennelijk onredelijk ontslag. Daarom kan de kantonrechtersformule niet als basis dienen voor de hoogte van een vergoeding in geval van kennelijk onredelijk ontslag. Het hof oordeelt vervolgens dat de door de rechtbank toegekende vergoeding van € 27.500,-- naast het al eerder toegekende voorschot van NLG 15.000,-- in onderhavig geval billijk is, gelet op de duur van de arbeidsrelatie (27 jaar), de leeftijd van de werknemer (48 jaar), de omstandigheid dat de ontslaggrond (bedrijfsbeëindiging) in de risicosfeer van de werkgever ligt, en de omstandigheid dat de werknemer alweer sinds ongeveer een jaar ander werk heeft. De werknemer heeft weliswaar gesteld dat sprake is van uitzendwerk, maar niet is gebleken dat dit werk is omgegeven door zodanige onzekerheden dat daarmee rekening zou moeten worden gehouden.

Terug naar overzicht