Hof 's-Gravenhage 13-03-2003, JAR 2003, 194


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 194.

De werkgever heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer verzocht op bedrijfseconomische gronden. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en aan de werknemer een vergoeding toegekend op basis van zijn oordeel dat van een verstoorde arbeidsrelatie sprake was. De werkgever stelt dat de kantonrechter aldus het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Deze schending is, aldus de werkgever, gelegen in een aanvulling van de feiten door de kantonrechter, welke door partijen niet aan het verzoek respectievelijk het verweer ten grondslag zijn gelegd en waarover ook ter zitting niet is gesproken. De kantonrechter heeft vervolgens deze nieuwe feiten aan zijn beslissing ten grondslag gelegd, zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. De werkgever heeft op deze gronden hoger beroep ingesteld. Het hof stelt vast dat hoger beroep tegen een beschikking als bedoeld in art. 7:685 BW kan worden ingesteld als bij de totstandkoming van de beschikking essentiële vormen zijn verzuimd, zoals het beginsel van hoor en wederhoor. Om te beoordelen of dat in deze zaak het geval is, verzoekt het hof bij tussenvonnis de werkgever om het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg in het geding te brengen. Het hof stelt vervolgens vast dat geen van partijen zich tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie. Dit was evenmin het geval in de tot dan gewisselde stukken. Uitgangspunt in het procesrecht is dat de rechter recht doet aan de hand van de stellingen van partijen. De rechter mag die stellingen uitleggen en waarderen, maar hij mag niet de feiten aanvullen. De enkele omstandigheid dat de rechter bij het geven van zijn beslissing uitgaat van een feitelijke vaststelling die afwijkt van hetgeen partijen hebben gesteld – maar waarover wel gedebatteerd is – levert nog geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor op. Daarvan is wel sprake indien de rechter, zoals in dit geval, zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daaromtrent uit te laten, een feitelijk gegeven aan zijn beslissing ten grondslag legt waaromtrent door partijen in het geding niets is gesteld en dat gegeven in het kader van de beoordeling van het verzoek van wezenlijk belang moet worden geacht. Het appèlverbod wordt daarom doorbroken en de zaak zal in hoger beroep opnieuw worden beoordeeld.

Terug naar overzicht