Hof 's-Gravenhage 13-05-2003, JAR 2003, 200


CAO. Loon. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 200.

De werknemer is arbeidsongeschikt geweest van 17 april 1992 tot 1 december 1992, van 5 februari 1999 tot 28 februari 1999 en van 8 januari 2001 tot het einde van het dienstverband per 1 maart 2002. In 1992 heeft de werkgever op grond van de bedrijfs-CAO de uitkering van de werknemer aangevuld tot 100% van zijn salaris. De werkgever stelt thans dat uit de CAO volgt dat hij slechts eenmaal de verplichting heeft om gedurende een jaar het loon bij ziekte uit te betalen en dat hij, nu hij dit in 1992 reeds heeft gedaan, niet nogmaals behoeft te doen. De werkgever leidt dit af uit de zinsnede dat de werkgever gedurende maximaal 52 weken het salaris behoeft door te betalen. De werknemer heeft doorbetaling van zijn loon gevorderd over de periode van 8 januari 2001 tot 8 januari 2002. De kantonrechter heeft zijn vordering toegewezen. Op het hoger beroep van de werkgever overweegt het hof dat, op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad, bij de interpretatie van een CAO behalve aan de bewoordingen ervan ook aan de bedoeling van partijen betekenis mag worden gehecht mits deze naar objectieve maatstaven blijkt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting. Het hof interpreteert de rechtspraak van de Hoge Raad aldus, dat bij de uitleg van een CAO geen acht mag worden geslagen op de bedoeling van de partijen en hun bijzondere kennis te dier zake, behoudens voorzover die bedoeling en kennis objectief vallen vast te stellen. Niet wordt uitgesloten dat bij de uitleg van een CAO-beding ook aan andere objectief vast te stellen omstandigheden betekenis kan worden toegekend, in het bijzonder aan de wet, het systeem van de wet en overeenkomstige regelingen die voorkomen in andere CAO's. Het hof stelt vervolgens vast dat de werkgever in onderhavige zaak weliswaar heeft meegewerkt aan het totstandkomen van de CAO, maar dat hij zich niet heeft beroepen op enige bijzondere wetenschap. Verder merkt het hof op dat een regeling als de onderhavige met betrekking tot doorbetaling van loon bij ziekte in tal van CAO's wordt aangetroffen. Uitgangspunt van die regeling is dat de werknemer gedurende het eerste ziektejaar of de eerste twee ziektejaren wordt beschermd tegen achteruitgang in salaris. Dit systeem sluit ook aan bij de wettelijke duur van ontslagbescherming tegen ziekte. Niet blijkt dat met het woord "maximaal" in de CAO van de werkgever is bedoeld een andere regeling overeen te komen, inhoudende dat de werknemer slechts eenmaal recht heeft op doorbetaling van zijn salaris. Met het woord "maximaal" wordt slechts beoogd om de periode waarover het salaris ná het Ziektewetjaar wordt gesuppleerd te maximeren tot 52 weken

Terug naar overzicht