Hof 's-Gravenhage 17-06-2003, JAR 2003, 209


Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 209.

De werknemer is per 15 augustus 2000 bij de werkgever in dienst getreden. In de aanstellingsbrief is vermeld dat hij zal kunnen deelnemen aan een optieregeling. Bij brief van 28 januari 2001 is aan de werknemer meegedeeld dat aan hem per 15 augustus 2000 1.726 opties zijn toegekend met een uitoefenprijs van € 29,25 per aandeel. Bij de brief is een volmacht gevoegd met het verzoek deze getekend te retourneren, bij gebreke waarvan de opties herroepen zullen worden. Bij brief van 23 maart 2001 heeft de werknemer aan de werkgever laten weten dat hij met terugwerkende kracht vanaf 15 augustus 2000 afstand doet van deelname aan de optieregeling en heeft hij benadrukt ter zake geen enkel document getekend te hebben. Kort na 23 maart 2001 heeft de werknemer ontslag genomen. De werkgever heeft het bedrag van de geldlening, die is aangewend ter voldoening van de loonheffing over de opties, in 2001 kwijtgescholden. De belastinginspecteur heeft dat bedrag gebruteerd en tot het looninkomen van de werknemer over 2000 gerekend. Voorts heeft de Inspecteur, overeenkomstig de jaaropgave van de werkgever, bij de aanslag inkomstenbelasting over 2000 een bedrag van NLG 22.730,-- als zijnde de waarde in het economische verkeer van de toegekende opties als looninkomsten aan de werknemer toegerekend. De werknemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. Op het beroep van de werknemer overweegt het hof dat in geschil is de vraag of het bedrag van de door de werkgever aan de werknemer toegekende optierechten tot het inkomen van de werknemer kan worden gerekend. Het hof is met de Inspecteur van mening dat de toekenning van de opties in januari 2001 aan de werknemer een onvoorwaardelijk karakter heeft. Daaraan doet niet af dat de werknemer nog een volmacht moest tekenen. Naar het oordeel van het hof kan echter niet gezegd worden dat de werknemer de opties heeft aanvaard. De werknemer is eerst in januari 2001 op de hoogte gesteld van de toekenning van de opties en heeft onweersproken gesteld dat hij toen al van plan was ontslag te nemen. De toegekende rechten hadden op het moment van toekenning bovendien geen enkele waarde, gelet op de toenmalige beurskoers van de aandelen. Verder is niet gebleken dat de opties feitelijk zijn uitgereikt. Tenslotte moet aan een werknemer een redelijke termijn worden gegund om zijn positie ter zake van de toekenning van opties te bepalen. De termijn die de werknemer daarvoor heeft gebruikt – twee maanden – is in deze niet onredelijk. Het bedrag van NLG 22.730,-- kan daarom niet aan de werknemer worden toegerekend. Verder dient het gebruteerde bedrag van de loonheffing in 2001 tot de looninkomsten van de werknemer worden gerekend en niet in 2000…

Terug naar overzicht