Hof 's-Gravenhage 20-12-2002, JAR 2003, 37


Concurrentiebeding. Functiewijziging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 37.

De werknemer is vanaf 11 november 1985 werkzaam voor het concern waartoe de werkgever behoort. In 1986 is hij benoemd tot statutair directeur van één van de concernvennootschappen en in 1997 van een tweede vennootschap. Eind 1998 is de werknemer benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van de holding van het concern en heeft hij volledige procuratie binnen de holding gekregen. Eind 2001 heeft de meerderheid van de aandeelhouders besloten dat een deel van het concern verkocht moest worden. De werknemer heeft zich daartegen verzet. Onderhandelingen over een management buy-out zijn mislukt, nadat eerder mediation geen resultaat had opgeleverd. De werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 juli 2002. In de arbeidsovereenkomst van 1997 van de werknemer is een concurrentiebeding opgenomen dat hem verbiedt binnen een jaar na beëindiging van het dienstverband zaken te doen met relaties van het concern of daarbij belang te hebben. De werknemer wil in dienst treden van een concurrent van de werkgever en vordert schorsing dan wel matiging van het concurrentiebeding. Daartoe stelt hij onder meer dat de arbeidsovereenkomst niet door hem is beëindigd en dat het beding door functiewijziging zwaarder is gaan drukken. De voorzieningenrechter heeft het beding enigszins in tijdsruimte beperkt – tot 14 maart 2003 in plaats van 1 juli 2003 – en heeft de vorderingen van de werknemer voor het overige afgewezen. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt het hof dat weliswaar ook de werkgever naar beëindiging heeft gestreefd, maar dat ook de werknemer steeds aan beëindiging heeft vastgehouden, ook toen de werkgever nog mediation op haar kosten heeft aangeboden. Van een beëindiging door de werkgever is daarom geen sprake. Verder is de functie van de werknemer eind 1998 gewijzigd in die zin dat hij zich meer met de algemene leiding is gaan bezighouden dan met handel en dat hij meer verantwoordelijkheden heeft gekregen, maar niet aannemelijk gemaakt is dat door deze wijziging het concurrentiebeding zodanig zwaarder is gaan drukken dat het opnieuw overeengekomen had moeten worden. Niet valt in te zien dat de werknemer geen ander werk kan vinden dan bij de concurrent van de werkgever. Bovendien is hij niet ingegaan op het voorstel van de werkgever om overleg te plegen over de uitleg van het beding.

Terug naar overzicht