Hof 's-Gravenhage 24-07-2002, Prg. 2002, 5967


Bedrijfsongeval. Beroepsziekte (mesothelioom). Verjaring.

(Zie voorgeschiedenis HR 28-04-2002, Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, NJ 2000, 430, JAR 2000, 122, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 27). Bij een schilder die vier jaar is blootgesteld aan asbest wordt ruim 33 jaar later mesothelioom vastgesteld. Na zijn overlijden vorderen zijn erfgenamen NLG 200.000,-- smartengeld. De kantonrechter wijst de vordering af, evenals de rechtbank. De Hoge Raad is van oordeel dat in redelijkheid van een benadeelde niet kan worden gevergd dat hij ter bewaring van zijn rechten de verjaring stuit voordat de schade zich heeft geopenbaard. Het antwoord op de vraag of toepassing van de verjaringstermijn van 30 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in deze situatie onaanvaardbaar is, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het hof. Het hof overweegt dat 33 jaar na einde dienstverband de ziekte mesothelioom is vastgesteld. Aangezien de werknemer kort na deze vaststelling is overleden, zou een eventueel bedrag aan smartengeld in zeer beperkte mate het lijden van de werknemer hebben kunnen verlichten. De schadevergoeding komt dan ook de erfgenamen toe. Het hof gaat voorbij aan het verweer van de werkgever dat de werknemer niet is blootgesteld aan asbest, aangezien de werkgever noch voor de kantonrechter noch voor de rechtbank heeft betwist aansprakelijk te zijn ex art. 7A:1638x BW (oud) respectievelijk art. 7:658 BW. Het hof gaat uit van het oordeel van de Hoge Raad dat er geen sprake is van opzet of grove schuld maar wel van schending van de in art. 7:658 BW omschreven zorgplicht. Met betrekking tot het verstrijken van de verjaringstermijn voordat de ziekte zich heeft geopenbaard overweegt het hof dat toepassing van de termijn op grond van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gezien het ernstige lijden en de zeer korte levensverwachting, gelet op het feit dat de werkgever in de gelegenheid is geweest financiële voorzieningen te treffen en dat de aansprakelijkheid is verzekerd, acht het hof een schadevergoeding van € 50.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente, passend.

Terug naar overzicht