Hof 's-Gravenhage 25-07-2003, NJ 2003, 729


Bedrijfsongeval. Smartengeld. Verjaring.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Middelburg 15-04-2002, JAR 2002, 128, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 53). Een werknemer heeft ruim acht jaar bij een werkgever gewerkt. Ruim 30 jaar later stelt hij de werkgever aansprakelijk voor de mesothelioom waaraan hij één maand later overlijdt. De erfgenamen vorderen vervolgens vier jaar later een verklaring voor recht dat de werkgever tekort is geschoten in zijn zorgplicht en een schadevergoeding waaronder smartengeld. De kantonrechter onderzoekt of er sprake is van dusdanige omstandigheden dat toepassing van de verjaringstermijn van 30 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en wijst de vordering af op grond van verjaring. De erfgenamen gaan in hoger beroep. Het hof verwerpt het standpunt van de erfgenamen, waarin zij verwijzen naar de uitspraak van het Hof 's-Gravenhage van 24-07-2002 (Van Hese/De Schelde, Prg. 2002, 5967, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 39), waarin het hof heeft overwogen dat een tijdige vergoeding van smartengeld de werknemer ten goede zou zijn gekomen en erkenning van de sterk verkorte levensverwachting en het ernstige lijden zou hebben betekend. De omstandigheid dat de vergoeding na het overlijden van de werknemer grotendeels aan de erfgenamen toekomt, maakt dit niet anders volgens het hof. Dit hof is het niet eens met de erfgenamen dat werkgevers, op grond van het oordeel van de kantonrechter, gezien de zeer beperkte levensverwachting van mesothelioomslachtoffers op een eenvoudige wijze hun aansprakelijkheid kunnen ontlopen, door zich op verjaring te beroepen, wetende dat de werknemer spoedig zal overlijden. Het hof overweegt daartoe dat om het beroep op verjaring niet te honoreren alle relevante omstandigheden tegen elkaar moeten worden afgewogen. Het standpunt dat, wanneer de schadevergoeding niet aan het slachtoffer zelf ten goede komt maar aan de nabestaanden, het beroep op verjaring zeker zal worden gehonoreerd moet dan ook worden verworpen, evenals het standpunt dat het aan de werkgever te wijten is dat de schadevergoeding niet aan de werknemer ten goede is gekomen. De werkgever kan niet worden verweten in overeenstemming met de geldende rechtspraak een beroep op verjaring te hebben gedaan. Overigens zal het zelden voorkomen dat slachtoffers van mesothelioom ten volle van de schadevergoeding kunnen profiteren. Het hof is ook van oordeel dat de erfgenamen door na te laten aan te geven hoe hun inkomenssituatie is gewijzigd door het overlijden van de werknemer, hun stelling dat zij geen aanspraak op enige uitkering hebben ontvangen, onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd. Daarnaast hebben de erfgenamen door na de afwijzing van de werkgever ruim vier jaar te wachten met het uitbrengen van de dagvaarding, de vordering niet binnen een redelijke termijn ingesteld. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht