Hof 's-Hertogenbosch 12-03-2003, JAR 2003, 145


Loon. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 145.

De werknemer is van 3 mei 1999 tot eind april 2000 bij de werkgever in dienst geweest als vrachtwagenchauffeur. Op 15 maart 2000 heeft de werknemer zich ziek gemeld. Vervolgens heeft hij bij brief van 28 maart 2000 de arbeidsovereenkomst opgezegd in verband met indiensttreding, per 1 mei 2000, bij een andere werkgever. De Arbo-arts heeft de werknemer op 3 april 2000 geschikt geacht voor zijn eigen werk met ingang van 10 april 2000. De werknemer heeft vervolgens een second opinion aangevraagd bij het UWV. Deze heeft bij brief van 12 april 2000 bericht dat de werknemer arbeidsongeschikt werd bevonden met ingang van 3 april 2000. Volgens de verzekeringsarts is de verwachting dat, als de werknemer moet hervatten bij de werkgever, hij binnen zeer korte tijd zal verzuimen met psychische klachten. De werknemer moet echter in staat worden geacht om, na een korte periode van rust, per 1 mei 2000 bij de nieuwe werkgever zijn werk op een goede manier te verrichten. De werkgever heeft geweigerd het loon over de maand april 2000 aan de werknemer te voldoen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de werknemer de deskundigenverklaring te laat heeft overgelegd en dat het oordeel van de verzekeringsarts niet voldoet aan de eisen die art. 7:629a BW daaraan stelt. De kantonrechter heeft de loonvordering van de werknemer toegewezen. Op het hoger beroep van de werkgever overweegt het hof dat de werkgever in elk geval eind mei 2000 een kopie van de second opinion heeft gekregen. Daarom leidt het feit dat de werknemer in de procedure de second opinion eerst bij repliek heeft overgelegd niet tot niet-ontvankelijkheid. Ten aanzien van de totstandkoming van de second opinion overweegt het hof dat de deskundige verplicht is het medisch onderzoek onpartijdig en naar beste weten te volbrengen en dat hij inlichtingen kan inwinnen bij de behandelende arts(en). In onderhavig geval heeft de verzekeringsarts geen inlichtingen ingewonnen bij de werkgever, de Arbo-arts en/of de behandelende sector. Dit betekent echter niet dat de verzekeringsarts niet tot een medisch verantwoord oordeel heeft kunnen komen. De op eigen wetenschap en ervaring gebaseerde bevindingen van de verzekeringsarts, zoals deze blijken uit de "rapportage deskundigenoordeel", bieden een toereikende grondslag om daaruit conclusies te trekken met betrekking tot de arbeids(on)geschiktheid van de werknemer. Dit geldt temeer nu niet concreet is gesteld of gebleken dat de verzekeringsarts partijdig is geweest of haar onderzoek niet naar beste weten heeft uitgevoerd. De second opinion voldoet derhalve aan de eisen van art. 7:629a BW. Dat brengt mee dat de loonvordering van de werknemer toewijsbaar is.

Terug naar overzicht