Hof 's-Hertogenbosch 16-09-2003, JAR 2003, 262


Bepaalde tijd. Loon. Passende arbeid. Proeftijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 262.

De werkneemster, die arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten (REA), heeft in het kader van een proefplaatsing in de zin van deze wet, van 21 juni 1999 tot 23 augustus 1999 bij de werkgever werkzaamheden verricht. Aansluitend aan de proefplaatsing is tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar gesloten. Daarbij is een proeftijd van één maand overeengekomen. Aan het eind van deze maand heeft de werkgever laten weten de arbeidsovereenkomst niet te willen voortzetten. De werkneemster heeft de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen en heeft doorbetaling van loon gevorderd. De kantonrechter heeft haar vordering afgewezen op de grond dat het tussen partijen overeengekomen proeftijdbeding rechtsgeldig is en de werkneemster tijdens de proeftijd is ontslagen. De kantonrechter heeft in dit verband opgemerkt dat de jurisprudentie betreffende nietige proeftijdbedingen, waarin sprake is van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten of van uitzendovereenkomsten gevolgd door een arbeidsovereenkomst, niet van toepassing is op een proefplaatsing op grond van de Wet REA. Op het hoger beroep van de werkneemster geeft het hof aan deze conclusie van de kantonrechter niet juist te achten. Achtergrond van genoemde jurisprudentie is dat er geen ruimte is voor het nogmaals overeenkomen van een proeftijd als een werkgever reeds de gelegenheid heeft gehad zich op de hoogte te stellen van de geschiktheid van de werknemer voor de arbeid. In onderhavig geval zijn van de werkneemster tijdens de proefplaatsing dezelfde vaardigheden geëist en zijn aan haar dezelfde verantwoordelijkheden opgelegd als nadien in het kader van de arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft, mede gelet op de lengte van de proefplaatsing en de relatief eenvoudige aard van de werkzaamheden, voldoende gelegenheid gehad om inzicht te krijgen in de hoedanigheden en geschiktheid van de werkneemster voor de bedongen arbeid. Daaraan doet niet af dat de werkneemster, met toestemming van de werkgever, enkele weken en dagdelen afwezig is geweest. Het proeftijdbeding was derhalve niet rechtsgeldig en de loonvordering van de werkneemster is toewijsbaar.

Terug naar overzicht