Hof 's-Hertogenbosch 18-06-2001, 01-04-2003, JAR 2003, 128


Gelijke behandeling. Loon. Wijziging arbeidsvoorwaarden. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 128.

(Zie voorgeschiedenis Rechtbank Roermond 02-04-1998, JAR 1998, 105, Rechtspraakoverzicht 1998, blz. 172 en HR 25-02-2000, FNV/Frans Maas, RvdW 2000, 73, JOL 2000, 137, NJ 2000, 471, JAR 2000, 85, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 222). Bij de werkgever bestond een interne regeling op grond waarvan aan werknemers bij ziekte vanaf de eerste dag het ziekengeld tot 100% van het nettoloon werd aangevuld. Met ingang van 1 januari 1994 heeft de werkgever die regeling eenzijdig gewijzigd in die zin dat over de eerste vijf ziektedagen 70% van het loon wordt uitgekeerd in plaats van 100%. Aanleiding hiervoor was de Wet terugdringing ziekteverzuim (Wet TZ), in het kader waarvan de werkgever gedurende de eerste zes of twee weken zelf het loon bij ziekte moest gaan betalen. De FNV heeft een verklaring voor recht gevorderd dat de werkgever ook gedurende de eerste vijf dagen het loon volledig moet doorbetalen alsmede betaling van achterstallig ziektegeld. De kantonrechter en de rechtbank hebben de vorderingen van de FNV afgewezen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechtbank daarbij een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door te oordelen dat het "niet redelijk" was dat de werkgever de suppletieregeling ongewijzigd in stand zou moeten laten in plaats van na te gaan of dit "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar" was. De Hoge Raad heeft de zaak ter verdere behandeling verwezen naar het Hof 's-Hertogenbosch. In dat geding staat ter discussie (1) of sprake is van een bestendig gebruik of van de onverplichte toepassing van een suppletieregeling en (2) of, indien het eerste het geval is, een veroordeling tot nakoming van dat gebruik naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof stelt vast dat de werkgever de suppletieregeling gedurende vele jaren heeft toegepast op 94% van de bij hem in dienst zijnde werknemers (de andere 6% krijgt 100% doorbetaling op grond van de CAO Beroepsgoederenvervoer) en dat de werknemers de regeling gedurende vele jaren hebben geaccepteerd. De regeling is daarom als een in de praktijk gegroeid gebruik deel uit gaan maken van de arbeidsovereenkomsten. Dit geldt temeer nu het gaat om loon, dat wil zeggen het meest elementaire bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, aan de betaling waarvan de werkgever zich niet eenzijdig kan onttrekken. Niet is vast komen te staan dat een verplichting tot voortzetting van de suppletieregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De werkgever heeft niet aangetoond dat hij negatieve gevolgen heeft ondervonden door de Wet TZ. Wel is gebleken van een besparing…

Verder lezen
Terug naar overzicht