Hof 's-Hertogenbosch 19-04-2000, JAR 2000, 135


Directeur. Ziekte. Opzegtermijn. Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 135.

Een statutair directeur wordt op een buitengewone aandeelhoudersvergadering ontslagen. De directeur meldt zich vervolgens dezelfde dag nog ziek en de werkgever bevestigt daags daarna het ontslag schriftelijk. De werknemer stelt dat het ontslagbesluit in de aandeelhoudersvergadering alleen de beëindiging van zijn positie van bestuurder betreft en niet de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer roept de nietigheid in van de opzegging welke de dag daarna en dus na zijn ziekmelding plaatsvond wegens strijd met het opzegverbod tijdens ziekte en vordert doorbetaling van loon en subsidiair de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:680 BW. De president overweegt dat de overgelegde notulen van de aandeelhoudersvergadering vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van de werkgever dat op 25 maart ook de arbeidsovereenkomst is opgezegd. Aangezien er geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan anders moet worden geoordeeld, gaat de president er voorshands vanuit dat de werkgever pas op 26 maart de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Toen was de werknemer echter arbeidsongeschikt, zodat hij zich terecht op de nietigheid van de opzegging beroept. De president wijst de vordering loondoorbetaling toe. De werkgever gaat in hoger beroep. Het Hof stelt voorop dat het gemengde karakter van de rechtsverhouding tussen een vennootschap en haar bestuurder er in beginsel niet toe leidt dat moet worden vermeld uit welke rechtsband de bestuurder wordt ontslagen. Tenzij het tegendeel blijkt of een wettelijk verbod beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de weg staat, moet in beginsel worden aangenomen dat een vennootschap met ontslag bedoelt de gehele rechtsbetrekking met de bestuurder te verbreken. In dit geval zijn er voldoende aanwijzingen dat zowel het vennootschappelijk als arbeidsrechtelijk ontslag werd beoogd. Niet aannemelijk is dat de werknemer dit niet heeft begrepen. Verder zijn er geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de opzegging niet rechtsgeldig zou zijn. De ziekmelding dateert immers van na de algemene vergadering van aandeelhouders. De primaire vordering moet dan ook worden afgewezen. Met betrekking tot de gefixeerde schadevergoeding stelt het Hof dat de werkgever een verkeerde opzegtermijn in acht heeft genomen. Op grond van het overgangsrecht geldt voor de oudere werknemers de oude opzegtermijn in plaats van de kortere opzegtermijn die op grond van de Wet Flexibiliteit en zekerheid is gaan gelden. Het Hof vernietigt het vonnis en veroordeelt de werkgever tot betaling van de aldus berekende gefixeerde schadevergoeding.

Terug naar overzicht